langhuis

dingplaats

publicaties

Links

gjallar

dorestad

museumdorestad

academia

Friends

travelingnorth

vikinggenootschap

Noormannenarrangement

archeologieonline

Zuidhoek

Blogs

(zie ook mijn blogs op Archeologie Online)

De lier van Trossingen 4

Redbad

De lier van Trossingen 3

De Slag bij Vlaardingen

De lier van Trossingen 2

De lier van Trossingen 1

Heeft Pasen een heidense achtergrond?

Een Vikingschip in Wijk bij Duurstede

Smeerlapperijen in februari

Aethelfled van Mercia

Vuurwerk, een traditie?

Hoornblazen – niet alleen geliefd bij de Vikingen

Een gouden Sinterklaasgeschenk

De grote beer

De Wilde Jacht

Een strijdlustige vrouw uit Birka

De legende van Swanhilde

Dorestad onthuld

Thor en zijn buitenlandse collega's

Warlords en krijgsheren

De toverstaf van koningin Asa

Een Vlaams piratennest?

Het begin van de middeleeuwen

Hilda van Whitby

Een IJslandse saga in de Donald Duck

Up Helly Aa

Van gewei tot kam

De heidense wortels van Kerstmis

Bonifatius en het heidendom

Boeken, boeken, boeken

De complexe geschiedenis van Halloween

I put a spell on you: heidense gebruiken en magische riten

Een first lady in de vroege middeleeuwen

De paltskapel in Aken als paardenstal

Henk Hofland en de schoolplaat van Isings

Het geheim van de smid: ijzerproductie en rituelen

Tussen noordelijke en zuidelijke koningen

Joan Hugo van Bolhuis en de Noormannen

Oppergod maakt een rechtse come-back

Bonifatius en Dorestad

Blogarchief

Persoonlijke geschiedenisblog over de Vikingtijd,
over Noormannen, Friezen, Franken, Dorestad, handel en scheepvaart in de vroege middeleeuwen


12 juli 2018
De lier van Trossingen 4

De lier wordt nog wel eens verward met de harp, te meer omdat de Germaanse lier in vroegmiddeleeuwse bronnen soms harp genoemd wordt. Zo komen we dit instrument in Oudengelse teksten tegen als hearpe en in Scandinavische bronnen als harpa.
Toch is een harp, zoals we die tegenwoordig kennen als pedaal- of concertharp en ook als Keltische harp, een ander instrument. Harpen zijn al bekend uit Sumerische en Egyptische bronnen, maar de vroegst bekende afbeelding uit Noordwest-Europa is te vinden op een ivoren boekbeslag op het Psalter van Dagulf, een verlucht handschrift dat in opdracht van Karel de Grote in de late achtste eeuw werd vervaardigd.

blog


Het lierjuk uit Ribe. Beeld uit een filmopname van Northern Emporium van de opgraving.


De snaren zijn bij de harp tussen de klankkast en een arm gespannen. Deze enkele arm die bij dit instrument hals heet, wordt tegenwoordig door een zuil ondersteund. De langwerpige klankkast vormt met de hals en de zuil een karakteristieke driehoek, waardoor de snaren allemaal verschillend van lengte zijn. Daarmee wijkt de driehoekige harp wezenlijk af van de symmetrische lier die voorzien is van een langwerpige klankkast met twee armen die aan het einde door middel van een juk met elkaar verbonden zijn. De snaren zijn tussen de klankkast en dit juk gespannen.

En juist zo'n juk, het meest karakteristieke onderdeel van een lier, werd vorige week, compleet met stemknoppen, ontdekt in een cultuurlaag van de Deense handelsnederzetting Ribe. Dat is bijzonder, heel bijzonder, want er waren maar twee van dergelijke losse jukken bekend: uit Habenhausen (Bremen) en Hedeby (Sleeswijk). Er zijn nog wel enkele andere jukken uit Engeland en Duitsland bekend, maar die werden samen met (delen van) het instrument gevonden. De drie losse jukken zijn allemaal in een nederzettingscontext gevonden, terwijl de meer complete lieren zonder uitzondering grafvondsten zijn. We kunnen slechts speculeren over de betekenis van dit verschil. Als puzzelstuk is de vondst uit Ribe in ieder geval een welkome aanvulling.


19 juni 2018
Redbad

Gisteren had ik de eer om op uitnodiging van Coen van Zwol, filmredacteur van NRC, de persvoorstelling van het nieuwe filmspektakel Redbad bij te wonen. Deze film van regisseur Roel Reiné gaat 28 juni in roulatie.
Ik ging met gemengde gevoelens, want ik ben niet zo'n liefhebber van de toegepaste mix van Hollywoodgeweld en -romantiek, kortom van films die door de Amerikaanse filmindustrie geïnspireerd zijn. De bedoeling was dat ik de film over de Friese koning Radbod op zijn historische gehalte zou beoordelen en dat heb ik gedaan. Lees daarover binnenkort in NRC.
blog


De hoofdrolspelers op de filmposter van de film Redbad, waarin de vrouwen - in broek (!) - dapper meevechten.


De hele rolprent staat stijf van de vele anachronismen en historische missers, maar daar heb ik eigenlijk niet zo'n probleem mee. De film biedt immers spektakel voor een breed bioscooppubliek dat wel vermaakt, maar over het algemeen niet historisch onderricht wil worden. Erger is dat er werkelijk geen touw aan het verhaal is vast te knopen. De hele film is één lange vrijheidsstrijd van Friezen, al of niet bijgestaan door een soort Vikingen avant la lettre, tegen immer boosaardige Franken.
Een cinematografische brij van koppen afslaande woestelingen, dan eens Nederlands, dan weer Engels pratend, trekt aan de argeloze bioscoopbezoeker voorbij. Een eindeloos gevecht, en dat twee en een half uur lang!

In het kielzog van de Franken treffen we een agressieve Willibrord die met een Vikingbijl uit de late tiende eeuw een Wodaneik te lijf gaat en mensen met een middeleeuwse versie van waterboarding eigenhandig in het doopbassin tot het christendom dwingt.
De Friezen worden voorgesteld als een soort mislukte indianen die hun tijd doorbrengen met het offeren van meisjes aan de goden. Hun hoofdstad Dorestad is gevuld met krijgshaftige Friezen alsof het een kazerne is. Geen handelaar te bekennen.
Het is een spektakelfilm, niet meer en niet minder. Misschien verklaart dat waarom ik de film Redbad zo slaapverwekkend vind.


16 juni 2018
De lier van Trossingen 3

In de vroege middeleeuwen hadden muziekinstrumenten een bijzondere betekenis met een eigen sociale functie, symboliek en terminologie. En dat gold zeker voor de lier die bij de Germanen het belangrijkste begeleidende snaarinstrument was. Als er liederen werden gezongen, dan kwam de lier in beeld, hét begeleidingsinstrument voor gezangen.

Snaarinstrumenten worden in vele culturen geassocieerd met aristocratische muziek. Ook in het Germaanse gebied tekent zich bij de elite een muzikale traditie af, waarbij het lierspel een belangrijke rol speelde. Daarom is het geen toeval dat de dichter van Beowulf bij zijn beschrijving van de vreugde in de hal geen ander instrument dan de lier noemde.
blog


Barnstenen kam uit het havengebied van Dorestad. Uit de volledig vlakke onderzijde blijkt dat dit een onvoltooid werkstuk is. Mogelijk heeft een breuklijn die onderin de kam zichtbaar is, de barnsteenbewerker doen besluiten om dit exemplaar niet af te maken.


De koning uit het scheepsgraf van Sutton Hoo moet ook zanger geweest zijn of op zijn minst een beschermer van de zangkunst. De lier was een koninklijk instrument, het attribuut van koning Hrothgar in Beowulf én van de bijbelse koning David. De hoge status van het instrument wordt bevestigd door vroegmiddeleeuwse afbeeldingen waarop een lierspelende David is weergegeven.

Lieren in graven uit de zesde en de zevende eeuw kunnen vanwege hun rijke bijgaven vrijwel altijd met een adellijke bovenlaag in verband worden gebracht, in het bijzonder met gewapende krijgsheren. Soms was de lier tegen de dode aan gelegd, waardoor de suggestie wordt gewekt dat de overledene ooit zelf de lier ter hand heeft genomen. In andere graven lag de lier niet direct tegen het lichaam aan. Deze positie doet vermoeden dat de zeer hooggeplaatste doden, meestal aangeduid als koningen, niet zelf het instrument hebben bespeeld, maar dit aan muzikanten in hun dienst overlieten. De lier lijkt in deze graven te midden van een grote hoeveelheid grafgiften eerder als een statussymbool te hebben gegolden.

In de loop van de achtste eeuw verdween de gewoonte om grafgiften met de doden mee te geven. Vanaf dat moment kennen we alleen nog maar losse vondsten van vooral kammen van lieren die in een nederzettingscontext zijn aangetroffen en in het bijzonder met ambachtelijke centra in verband kunnen worden gebracht. Deze vondsten zijn niet bekend uit de vroegste periode, toen er niet of nauwelijks nederzettingen met dergelijke handelscentra waren.
In het bijzonder barnstenen kammen zijn alleen op plaatsen aangetroffen waar barnsteenbewerking voorkwam, afgezien van een enkele grafvondst uit de achtste of negende eeuw in het grafveld van Broa op het Zweedse eiland Gotland. De halffabricaten van dergelijke kammen uit Dorestad en Haithabu (Hedeby) ondersteunen de veronderstelling dat lieren, of onderdelen daarvan, in handelscentra gemaakt werden. Blijkbaar moeten we de nederzettingscontext in het licht van de ambachtelijke productie van deze instrumenten zien, want lieren maakten geen deel uit van het dagelijks leven van de bevolking.


6 juni 2018
De Slag bij Vlaardingen

Terwijl vandaag wordt herdacht dat de westerse geallieerden 74 jaar geleden begonnen aan de operatie Overlord, de invasie op de stranden van Normandië, ben ik vooral bezig met de Slag bij Vlaardingen, die dit jaar precies 1000 jaar geleden werd gestreden.
blog
Behalve dat ik betrokken was bij de tentoonstelling Boer en Burcht in Museum Vlaardingen, waar enkele van mijn scheepsmodellen en verschillende objecten uit Museum Dorestad worden tentoongesteld, heb ik ook een bijdrage geleverd aan het boek De Slag bij Vlaardingen 1018 onder redactie van Kees Nieuwenhuijsen. Mijn artikel daarin gaat over handel en scheepvaart rond het jaar 1000 in Vlaardingen. Juist de belemmering van dat handelsverkeer was aanleiding van het gewapende treffen.

Graaf Dirk III had bij Vlaardingen een tol ingesteld. Dat was tegen het zere been van schippers in Tiel die zich gingen beklagen bij de Duitse keizer. Die stuurde een legertje ijzervreters naar Vlaardingen om de lastige graaf een lesje te leren. Voor dat doel vervoerden de Tielse schippers de tot de tanden gewapende mannen maar al te graag naar de plek des onheils. Maar het liep allemaal anders dan ze zich voorgesteld hadden. De strafexpeditie draaide uit op een fiasco. De mannen van de keizer werden in de pan gehakt. De geschrokken schippers lichtten hun ankers en maakten dat zij wegkwamen. Het eind van het liedje was dat de graaf heer en meester in het kustgebied bleef en Vlaardingen nog lang zijn positie kon handhaven als belangrijkste handelshaven in de wijde omgeving.

Komende zaterdag en zondag wordt die slag in de Broekpolder (in het noordwesten van Vlaardingen) nog eens dunnetjes overgedaan door vrijetijdsvechtersbazen in middeleeuws kostuum. Kom dat spektakel bekijken. Het is gratis!


16 mei 2018
De lier van Trossingen 2

In 1857 begon Matthias Hohner in Trossingen met de fabricage van mondharmonica's die al snel over de hele wereld werden verkocht. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd de productie verplaatst naar een industrieterrein ten zuiden van het stadje. De gebouwen op de oude locatie in het centrum werden afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Daarbij werd in de winter van 2001/2002 in een Merovingisch graf een vrijwel geheel intacte lier gevonden. Zou de oude Matthias het hebben aangevoeld toen hij deze plek uitkoos?

blog
Reconstructie van de ingesneden decoratie op het bovenblad van de lier.

Door de ondoordringbare kleilaag in de plaatselijke bodem waren organische resten, zoals hout, textiel en leer, uitstekend geconserveerd. De houten grafkamer waarin de lier lag, werd vanwege de slechte winterse weersomstandigheden voor een groot deel als één blok gelicht om in zijn geheel naar de archeologische dienst te worden overgebracht. Uit jaarringonderzoek van planken uit de grafkamer kon worden afgeleid dat de overledene in het jaar 580 ter aarde besteld werd.

De grafinhoud was onmiskenbaar van een belangrijk man die ongeveer 40 jaar oud is geworden. Hij was begraven in kostbare kleding, gemaakt van stoffen uit het Middellandse-Zeegebied. Vermoedelijk was hij een krijgsheer die met zijn wapenrusting en zijn lier ter aarde was besteld. Het instrument werd in de linker arm van de dode gevonden, een positie die we ook uit vroegmiddeleeuwse afbeeldingen van lierspelers kennen.

De vondsten uit het graf worden sinds 2007, na acht jaar onderzoek, restauratie en conservering, in het Archäologischen Landesmuseum Baden-Württemberg in Konstanz tentoongesteld. Middelpunt van de expositie is de lier die uit één stuk esdoornhout is gemaakt en een lengte van 81 centimeter heeft. Ook het opgelijmde bovenblad is in deze houtsoort uitgevoerd. Uit slijtage en beschadigingen blijkt dat het instrument werkelijk is bespeeld en niet alleen maar als statussymbool aan de overledene is meegegeven.
Bijzonder is de plaats van de acht klankgaten die aan weerszijden van de kam midden in het bovenblad zijn geboord. Uit de zes stempennen die in het juk zijn gestoken, blijkt dat het instrument zes snaren heeft gehad.

Een groot deel van de lier is zowel aan de voor- als aan de achterzijde voorzien van een ingesneden decoratie. Het hoofdmotief van het bovenblad wordt gevormd door twee groepen van zes krijgers die tegenover elkaar staan met daartussen een rechtop geplaatste lans die door de voorste krijgers wordt vastgehouden en waaraan banieren hangen. De beide armen en de achterzijde van het instrument zijn versierd met tien velden met gevlochten banden van slangachtige dieren en dierenkoppen in Germaanse stijl. De insnijdingen zijn gevuld met houtskool om te contrasteren met de - eens - lichte achtergrond van het esdoornhout.

Het tafereel met de twaalf krijgers past naadloos in de maatschappelijke verhoudingen van de krijgselite in de vroege middeleeuwen. Maar daarover blog ik een andere keer.


29 april 2018
De lier van Trossingen 1

In 2001 en 2002 werden in een vroegmiddeleeuws grafveld in het Zuid-Duitse Trossingen twaalf graven ontdekt en onderzocht. In het grootste en meteen ook het rijkste graf werd een grafkamer aangetroffen met een bed, afgedekt met een rijk bewerkt deksel. Naast dat bed waren meubels en andere zaken geplaatst. De grafinhoud was onmiskenbaar van een belangrijke man die in het jaar 580 met kostbare kleding en wapenrusting begraven was. In zijn linkerarm lag een zessnarig tokkelinstrument, een lier.

blog
De originele lier in het Archäologischen Landesmuseum Baden-Württemberg in Konstanz.

Het is deze lier die onderwerp is van een project dat ik samen met luthier (bouwer van snaarinstrumenten) Jan van Cappelle ben gestart. Dit project zijn wij op verschillende manieren aan het uitwerken. Er wordt een natuurgetrouwe replica van het instrument gebouwd die door enkele lierspelers zal worden uitgeprobeerd. Hun bevindingen worden, samen met het resultaat van geluidsmetingen aan het instrument, in een boek gepubliceerd. Dat boek gaat niet alleen over de geschiedenis, de bouw, de uitvoeringspraktijk en andere muziektechnische aspecten van de lier, maar ook over de maatschappelijke en culturele context.

De lier was in de vroege middeleeuwen het belangrijkste instrument van de Germaanse aristocratie. Hierop werden de verzen begeleid die in de feesthal ten gehore werden gebracht tijdens bijeenkomsten van krijgsheren en hun gevolg. De lier stond in het middelpunt van een heroïsche wereld die de migratieperiode kenmerkt. Daarmee is dit instrument een symbool bij uitstek van zijn tijd en zo is meteen duidelijk dat de lier voor dit project is gekozen.

Er zijn in het hele Germaanse gebied resten van vroegmiddeleeuwse lieren of onderdelen opgegraven. Wij hebben speciaal voor de vondst uit Trossingen gekozen, omdat dit instrument de best bewaarde lier is die tot nu toe ontdekt is. Het instrument is vrijwel compleet en bovendien tamelijk recent opgegraven, waarbij gebruik werd gemaakt van de nieuwste geavanceerde technieken die de archeoloog ter beschikking staan. Als kers op de taart is de lier van Trossingen bovendien aan alle kanten voorzien van ingekerfde versieringen. De belangrijkste daarvan beeldt een twaalftal gewapende krijgers uit die een eed aan een banier lijken af te leggen. Het is een tafereel dat naadloos aansluit bij de martiale samenleving waaruit de lier voortkomt.

De voorbereidingen voor het boek en de bouw van het instrument zijn in volle gang. Daarom zal ik de komende tijd met enige regelmaat over allerlei aspecten ervan berichten. Hou mijn blogs dus in de gaten.


26 maart 2018
Heeft Pasen een heidense achtergrond?

Pasen is voor de christenen het feest waarop Jezus uit de dood is opgestaan en daarmee het belangrijkste moment van het jaar. De oorsprong van Pasen gaat terug op het Joodse Pesach, de herdenking van de bevrijding van het Joodse volk en de uittocht uit Egypte. Pesach viel in de maand nisan van het Joodse jaar, ongeveer de tweede helft van maart en de eerste helft van april volgens onze tijdrekening. De liturgie in de christelijke kerk begint met het feest van het licht, de paaswake, en de eucharistie.

blog Ook het heidense lentefeest is een feest van het licht. Tijdens het lentefeest wordt het einde van de winter en het ontwaken van de natuur gevierd. Dit feest wordt in verband gebracht met de godin van de aarde en de vruchtbaarheid. Volgens de Angelsaksische monnik Beda hadden de heidense Angelsaksen in april feesten ter ere van de godin Eostre. Deze feesten waren door de kerk vervangen door het paasfeest. Het Engelse Easter en het Duitse Ostern is ervan afgeleid.
Taalkundigen hebben de naam van de godin Eostre (ook wel Ostara genoemd) herleid tot de Proto-Indo-Europese godin Hausos die we bij de Grieken als de godin van de dageraad Eos en bij de Romeinen als Aurora tegenkomen.
Deze godin duikt op in verschillende vroegmiddeleeuwse persoonsnamen, zoals Austrechild en Austrovald, en plaatsnamen, zoals Eostrefeld (Austerfield, Yorkshire) en Eastrgena (Eastry, Kent). Mogelijk wordt dezelfde godin genoemd op inscripties op votiefstenen uit de tweede en derde eeuw, gevonden bij Bedburg (Nordrhein-Westfalen) die matronae Austriahenae vermelden. Het zou bij deze godin echter ook kunnen gaan om een afleiding van een plaatsnaam. Karel de Grote verordende dat de Romeinse namen van de maanden vervangen moesten worden door Germaanse equivalenten, waarbij april voortaan ostarmanoth genoemd moest worden.
De godin van de dageraad wordt met allerlei Germaanse lenterituelen, zoals het ontsteken van vuren en het kleuren en uitdelen van eieren, in verband gebracht, maar veel informatie bieden Indo-Europeaanse mythen niet.

De dageraad sluit mooi aan bij de verrijzenis van Jezus en daarmee lijkt de cirkel rond. Maar klopt de bewering van Beda over de godin Eostre wel? De meningen zijn verdeeld. Het zou goed kunnen dat de kerk zich door het volkse feest van het licht heeft laten inspireren, maar zeker weten we het niet. Wel is duidelijk dat de kerkelijke liturgie van het paasfeest en de volkse gebruiken rond het lentefeest vermengd zijn geraakt.


17 maart 2018
Een Vikingschip in Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede heeft als opvolger van Dorestad op scheepsbouwgebied een naam op te houden. Dankzij het initiatief van Wijkenaar en regelneef in hart en nieren Coos van den Hoek gaat het er dan toch echt van komen. Dit voorjaar gaat de bouw van start van een heus Vikingschip. Nou ja, niet een Vikingschip in strikte zin, maar een vrachtschip waarmee Scandinavische kooplieden met hun negotie naar Dorestad voeren. Dat waren vreedzame schippers en niet de plunderaars die we tegenwoordig Vikingen noemen.

blog


Het scheepswrak van een byrding dat bekend staat als de Skuldelev 3 in het scheepsmuseum in Roskilde (Denemarken).

Er wordt een reconstructie op ware grootte gemaakt van een betrekkelijk klein vrachtschip dat ook wel bekend staat als een byrding. Dit type werd voornamelijk op binnenwateren en voor de kustvaart ingezet. Het is verwant aan de grotere knarr die meer geschikt was op volle zee te varen en tochten op de Atlantische Oceaan kon maken.

Model voor de reconstructie staat het goed bewaarde scheepswrak Skuldelev 3 dat op de bodem van de Roskildefjord in Denemarken is gevonden. Dit zeer elegant ogende schip heeft een lengte van ongeveer 14 meter en een grootste breedte van 3,3 meter. Met een diepgang van 75 centimeter in geladen toestand (laadcapaciteit zo'n 5 ton) was dit schip zeer geschikt om door ondiepe getijdenwateren te koersen, bijvoorbeeld van Denemarken naar onze streken. Het heeft in de loop van de tijd al meerdere scheepsbouwers geïnspireerd om een reconstructie te maken, de eerste in het scheepsmuseum in Roskilde, waar ook het wrak tentoongesteld wordt.

Het bouwteam in Wijk bij Duurstede bestaat uit een groep door de wol geverfde vrijwilligers die allemaal bedreven zijn in houtbewerking. De meesten hebben al ervaring opgedaan met een klassiek binnenvaartschip dat eerder in Wijk bij Duurstede werd gebouwd. Ondergetekende gaat niet mee timmeren, maar het ontwerp uitwerken, de bouw begeleiden en een studiemodel, schaal 1:20, bouwen.
De reconstructie wordt gebouwd in een leegstaande sporthal van 700 m2, belangeloos beschikbaar gesteld door de gemeente. Die hal heet al sinds jaar en dag - geloof het of niet - de Vikinghal. Op de gevel prijkt een kleurrijk Vikingschip. Ons bedje is gespreid!

Bij het ontwerp wordt gestreefd naar een historisch verantwoorde reconstructie, maar praktische zaken worden niet uit het oog verloren. Want eenmaal afgebouwd krijgt het schip een vaste ligplaats in de stadshaven van Wijk bij Duurstede. Recreanten kunnen dan een tocht maken op de Lek. De exploitatie komt in handen van de havenmeester en Museum Dorestad. Maar dat is allemaal toekomstmuziek. Eerst bouwen.


27 februari 2018
Smeerlapperijen in februari

Als ik ergens een hekel aan heb dan is het aan de uitdrukking ‘de duistere middeleeuwen’. De middeleeuwen waren helemaal niet duister. Ja ‘s nachts was het donker, maar overdag ging het er kleurrijk en vrolijk aan toe. Niks geen zielige mensen die in de modder ploeterden om hun karige maal bijeen te schrapen in een somber landschap waar eeuwig mistflarden hingen. Laten we dit stereotype beeld dat velen, gevoed door films uit Hollywood, op het netvlies hebben staan, gauw vergeten.
blog Natuurlijk waren er vroeger ook zorgen. De voedselvoorziening was niet altijd en overal gegarandeerd. Ziekte en gebrek lagen op de loer. Iedereen moest de handen uit de mouwen steken. Voor lanterfanten was geen ruimte. Toch was er tijd voor ontspanning. Dat weten we omdat zwaarmoedige monniken steen en been klaagden over het lichtzinnige volk dat zich overgaf aan plat vermaak. Vooral in de weken na de winterzonnewende kon het er vrolijk aan toegaan. Kniezende geestelijken stelden halverwege de achtste eeuw vast dat het volk dag en nacht zingend en juichend rondtrok en feestmalen aanrichtte.

Volksfeesten werden onzedelijk genoemd. Februari, sprokkelmaand, is via sporkel een verbastering van het Latijnse spurkel dat schunnig of ontuchtig betekent. Het was vanouds de maand waarin volksfeesten gevierd werden. Vandaar de titel boven dit stukje 'Smeerlapperijen in februari', een frase uit een kerkelijke lijst met verfoeibare heidense gebruiken uit de achtste eeuw.

Door er een christelijk tintje aan te geven werden de volkse eet- en drinkfeesten en de gemaskerde optochten door de kerk gekaapt. Zo ontstond carnaval, het feestfestijn voor de christelijke vastentijd, waarbij de maatschappelijke verhoudingen - even - mochten worden omgedraaid. Knechten werden meesters en meesters werden knechten. Daarna moest de sociale orde weer gauw worden hersteld. Dat dan weer wel.


17 januari 2018
Vrouw van formaat: Aethelfled van Mercia

blog De middeleeuwen staan bepaald niet bekend als een periode met invloedrijke vrouwen. Toch waren zij er wel degelijk. Aan het begin van de tiende eeuw regeerde Aethelfled over het westelijke deel van het koninkrijk Mercia. Daarmee was ze uniek, want in de Angelsaksische wereld mochten vrouwen, net als op het Europese vasteland, geen politiek ambt bekleden.
In bronnen uit Ierland en Wales wordt Aethelfled als een ‘fameuze Saksische koningin’ beschreven. William van Malmesbury noemde haar de vreugd voor het volk, de schrik voor de vijand en een grote geest. Maar in de belangrijkste bron die we van de vroege Engelse geschiedenis hebben, de Angelsaksische Kroniek, wordt Aethelfled bijna geheel verzwegen. Daardoor is deze vrouw van formaat relatief onbekend gebleven.

Ze verkeerde in een vreemde spagaat tussen haar familie in Wessex en separatisten in Mercia. Hoewel ze naar de laatstgenoemde partij neigde, moest ze toch schipperen om te voorkomen dat haar rijk volledig door Wessex zou worden ingelijfd.
Aethelfled, geboren rond 870, was de oudste dochter van koning Alfred de Grote van Wessex. Haar moeder was ook afkomstig uit Mercia. Alfred werd oppermachtig in het niet door de Denen beheerste deel van Engeland en liet zich voortaan koning van de Angelsaksen noemen. Toch lijfde hij het hem toegevallen deel van Mercia niet in om de machtige lokale adel niet voor het hoofd te stoten. In plaats daarvan huwelijkte hij zijn dochter Aethelfled uit aan de veel oudere Aethelred, de ealdorman van Mercia die de opperheerschappij van Alfred erkende.
Als gehuwde vrouw begon Aethelfled zich in te laten met bestuursaangelegenheden. Haar echtgenoot stierf in 911, maar door zijn steeds verder afnemende gezondheid heeft Aethelfled waarschijnlijk al kort na de eeuwwisseling het bestuur van haar man waargenomen. Zij volgde hem op als vrouwe van Mercia. Daarmee oefende ze formeel het landsbestuur over Mercia uit. Samen met haar broer zette ze de bouw voort van burhs (forten) waarmee haar vader koning Alfred begonnen was. Ze plande en leidde ook daadwerkelijk zelf militaire expedities. Onder haar bewind bloeide Gloucester op in een gebied van relatieve stabiliteit in een Engeland dat leed onder de voortdurende oorlogen tegen de Denen. Haar machtsgebied werd een eiland van geleerdheid en religieuze ontplooiing. Ze liet steden versterken en veroverde in 917 Derby op de Denen, één van de vijf belangrijkste steden in het door hen bezette gedeelte van Mercia. Een jaar later volgde Leicester in hetzelfde gebied. Korte tijd later wilden de Denen uit York zich aan haar onderwerpen, maar zij stierf plotseling voordat ze daadwerkelijk vrede met hen konden sluiten. Ze werd begraven in de door haarzelf gestichte priorij in Gloucester, waar ook haar echtgenoot begraven was.

In zijn Historia Anglorum schreef Hendrik van Huntingdon in de twaalfde eeuw een huldebetuiging aan Aethelfled: 'Heldhaftige Aethelfled, roemrijke legerleider. Moedig als een man, hoewel vrouw van naam. Ook al had ze de titel van koningin, ze had de daden van een koning.'
Seksistischer had hij de vrouw niet kunnen typeren die zelfstandig als een competente legerleider een belangrijke rol bij de herovering van de Danelaw speelde en de onafhankelijkheid van Mercia tot aan haar dood heeft kunnen bewaren.


31 december 2017
Vuurwerk, een traditie?

blog Kabaal tijdens uiteenlopende festiviteiten is van alle tijden. In de vroege middeleeuwen probeerde het volk met schreeuwen of ander lawaai boze geesten te verjagen. Ook werden die wel met toverspreuken en brandende speren of andere projectielen bestookt.
Dat gebeurde speciaal tijdens maansverduisteringen, omdat met geloofde dat geesten dan bezit namen van de maan, onze trouwe begeleider. Men riep dan ‘vince luna’ (maan overwin). Het kon zelfs helemaal misgaan. Mensen konden lunatiek (maanziek) worden, van het verstand beroofd, als ze tijdens een maansverduistering iets ondernamen.

Het bestrijden van boze geesten met herrie tijdens een maansverduistering is een gebruik dat door vroegmiddeleeuwse auteurs als Cesarius van Arles en Hrabanus Maurus is beschreven. Minder duidelijk zijn de bronnen over het verjagen van geesten tijdens de jaarwisseling. Eerder lezen we dat de geesten van overledenen, die tijdens overgangsperioden de barrière tussen de bovennatuurlijke en de alledaagse wereld betrekkelijk eenvoudig konden passeren, gunstig moesten worden gestemd. Dat gebeurde bijvoorbeeld door voedsel te offeren of een plaats voor hen aan een gedekte tafel in te ruimen.
Pas in latere getuigenissen vinden we over vuren die werden gestookt en kabaal dat werd gemaakt om onheilbrengende geesten te verjagen. Nadat in de late middeleeuwen buskruit in onze streken bekend werd, kon ook dit knallende goedje worden ingezet om kabaal te produceren.

Hoewel het niet ondenkbaar is dat vanouds boze geesten tijdens de jaarwisseling met lawaai werden verjaagd, is er maar weinig zekerheid dat deze traditie waarop vuurwerkstokers zich tegenwoordig beroepen zo oud is als doorgaans wordt aangenomen.

Een goede jaarwisseling en een mooi 2018.


15 december 2017 - Gastblog Thomas Kamphuis:
Hoornblazen – niet alleen geliefd bij de Vikingen

blog Zodra het eerste Advent aangevangen heeft, hoor je in Overijssel (en de Achterhoek) het weemoedige geluid van de midwinterhoorn. Het op een hoorn blazen is van alle tijden. Maar waar komt het mirreweenterhoornbloazn vandaan?


Hoornblazers in het Utrechts Psalter uit de negende eeuw.

Ik verdiepte mij in het standaardwerk over midwinterhoornblazen van Everhard Jans, en verbaasde mij hoe het midwinterhoornblazen in een niet heidense maar christelijke traditie geplaatst wordt. Immers: ‘de oudste vermelding van het blaasinstrument blijkt uit 1485 te zijn’. De auteur van het boek is jarenlang diaken van de Nederlands-hervormde kerk te Almelo geweest en is wel heel zendingsgericht in het adresseren van de midwinterhoorn als zijnde niet heidens. ‘Rotstekeningen met lureblazers verdwijnen dan definitief in de ondoordringbare nevel van de fantasie. Gelouterd kan het onderzoek nu voortgaan…’.

Tja, met zo’n vooringenomen blik heb je altijd gelijk. Herders hadden altijd hoorns bij zich, maar niet van de maat die we kennen van de midwinterhoorn, die varieert van een kleine meter tot exemplaren van wel anderhalve meter. Hoe moderner de hoorn, hoe langer lijkt het wel. Een verborgen vorm van penisnijd ten opzichte van de andere ‘bloazer’? Het lijkt er wel op, en vroeger was men daar blijkbaar toch minder mee bezig.
Paus Gregorius I (540-605) adviseerde Augustinus van Canterbury al onschuldige volksgebruiken aan te moedigen, als in christelijke zin konden worden uitgelegd. We hebben het vaker gezien. Feit blijft dat het blazen al een veel ouder bestaansrecht en traditie betreft dan een vermelding uit 1485. Bronnen moeten het maar net vermelden en in de vroege middeleeuwen en daarvoor ontbraken deze niet, maar waren een stel blazers in het verre oosten van het land, ver weg van de kerkelijke wereld, mogelijk niet in beeld.

De auteur stelt wel dat de midwinterhoorn voortgekomen is uit de signaalhoorn. Bij deze signaalhoorn wordt vervolgens door hem wel degelijk een heidense, voorchristelijk gebruik toegekend. Op het Poolse platteland kent men een houten blaasinstrument dat veel overeenkomsten vertoont met de midwinterhoorn, de ligawka. Tussen 1800 en 1950 (zo recent dus nog op deze wijze) werd deze gebruikt om wilde dieren (wolven) af te schrikken, als communicatiemiddel, vooral bij nevel, tussen houtvlotters en om het binnenhalen van de oogst te begeleiden. Misschien ook om onheil of boze geesten af te weren, of zo maar, als uiting van vreugde.
Overigens was men tegen het einde van de 18e eeuw wel weer klaar met het geblaas bij de Kerstviering, getuige een aantekening uit 1791 van een Kerstviering in het Emslande Haselunne. Het “Unleidentliches Geschrey und Getose” werkte de kerkgangers op de zenuwen. Een pastoor liet op bevel van een bisschop zelfs de hoorns afnemen. Blijkbaar kun je ook aan je eigen succes gaan ergeren, en wordt het uiteindelijk weer ‘heidens kabaal’.
Al met al is het dus nog niet zo eenduidig gesteld dat tegenwoordig de Kersttijd luister bijzettende midwinterhoorn die exclusieve betekenis heeft. De oale roop staat dus voor een veel diverser scala van communicatie.


5 december 2017
Een gouden Sinterklaasgeschenk voor Museum Dorestad

blog


Mark Eijbers met zijn vaste zoekmaatje op het veld waar hij de Vikingring vond
Sinterklaas is weer in het land en dat inspireerde detectoramateur Mark Eijbers uit Bussum om een fragment van een gouden Vikingring aan Museum Dorestad te schenken. Mark ontdekte deze vingerring enkele jaren geleden op een akker in de buurt van zijn woonplaats, waar al eerder munten uit dezelfde tijd waren gevonden.

Voor velen mag het maar een onooglijk afgebroken stukje zijn, toch gaat het om een deel van een echte gouden Vikingring en dat is een zeldzaamheid, zeker voor onze streken. De ring heeft typerende ingeponste versieringen, zoals die ook bekend zijn van twee exemplaren die bij de handelsplaats Dorestad zijn gevonden.

Het museum verwelkomt de nieuwe aanwinst als een belangrijke aanvulling van de collectie. Het fragment zal permanent tentoongesteld gaan worden in de vaste opstelling die naar verwachting begin 2019 in het oude raadhuis op de Markt in Wijk bij Duurstede geopend wordt.


7 november 2017
Gastblog Thomas Kamphuis:
De grote beer – de cult van het hoge noorden

Ten tijde van de Noormannen was niet alleen in Scandinavië de beer een tot de verbeelding sprekend dier. Bij diverse volkeren in delen van Siberië bestond een uitgebreide viering en aan aanbidding grenzende verering van de beer, welke werd beschouwd als de hoofdgeest van het bos en de taiga. Ook bij volkeren in Lapland, Finland en Karelië was dit het geval.
Eén van de volkeren die ten tijde van de Noormannen en vikingen in Siberië leefden, waren de Komi. Zij kwamen – en komen - voor in de Oeral en West-Siberië. Samen met de Khanty en Mansi vormen zij volkeren binnen het Fins-Ugrische taakgebied welke in Siberië leefden. De eerste vermelding van de Komi, breder bekend als volkeren van de Perm, is in oude Russische kronieken van de 11e eeuw. In de mythologie van deze volkeren maakte de beer deel uit van de schepping van de aarde. De beer leefde aanvankelijk naast de hoofdgod Jen in de hemel. Nadat de beer zag dat een vrouw een halve erwt liet vallen, kwam hij naar de aarde en at deze op. Jen verbande hierna de beer naar de aarde. blog De Ob-Ugrische volkeren zagen de beer als een zoon van de god Torum en verklaarden zijn aanwezigheid op aarde doordat de beer langs een koord uit de hemel naar de aarde gekomen was. Daarop krabde de beer over het aardoppervlak en deed zo veengebieden en bergen ontstaan. Uit dit animistische wereldbeeld ontstond in de 10e en 11e eeuw de zogeheten Perm dierstijl. Het voorwerp hier getoond, is er een uitgesproken voorbeeld van. Dit (vermoedelijke) amulet is niet ver van Turinsk gevonden, in de regio van Sverdlovsk in Siberië in het gebied van de Perm en dateert uit de 10e – 11e eeuw.

Over de precieze functie van veel van de Siberische dierstijlvoorwerpen uit die tijd tast men nog steeds in het duister. Veel voorwerpen zijn dusdanig goed geconserveerd gebleven, dat ook wel gedacht wordt dat deze geen gebruiksfunctie hebben gehad, in de zin dat ze dagelijks gedragen werden, al lijkt het oppervlakkig wel zo. Mogelijk werden de voorwerpen slechts toegepast in sjamanistische rituelen bij speciale gelegenheden. Volgens het geloof van de Komi kon de sjamaan veranderen in verschillende dieren (een beer, wolf, raaf, ekster of snoek). Zo kon hij delen van de wereld bereiken die voor mensen onbereikbaar waren.
De beer stond symbool voor het eigene en voorchristelijke. Een bekende sjamaan, Ôslepig, kon zichzelf in een grote bruine beer veranderen en zich verstoppen in de rivier voor de Russische missionaris St. Stephan, die in 1379 zijn verlichtende activiteiten in dat gebied aanving. Ver weg in de Siberische wouden heeft het heidense geloof nog lang standgehouden.
Uit de (late) jaren tachtig van de vorige eeuw is nog de traditie gezien en gefilmd van het beerfeest. Nadat een beer gevangen was, ving een vier dagen durend ritueel aan ter ere van de beer. Uit de overgeleverde gebruiken hieromheen spreekt een groot respect voor het dier. Om een gedode beer mocht niet gelachen worden, anders zou de beer weer tot leven komen en de jager doden, omdat hij de regels voor respect voor het gedode dier verbroken had. Op de laatste dag van het feest nam iedereen een hap vlees en deed daarbij het geluid van een raaf na. Dit had als doel de beer te misleiden en te laten denken dat de dieren hem opaten en niet de mens.

Uiteindelijk werd de schedel van de beer aan de rand van het bos op een stok bevestigd. Hiermee werd de beer symbolisch teruggebracht naar het bos en zo weer tot leven gewekt. Ook werd de schedel wel in de stal of kelder van een huis verstopt om kwade krachten af te weren en ziekten te verbannen. De beenderen konden ook – opzettelijk – kwaad aanrichten: botten en kaken, verstopt onder een huis waar een nieuwe bewoner in kwam, veroorzaakten een ongelukkig leven. Zo waren zelfs de beenderen van de mythische beer multifunctioneel..


21 oktober 2017
De Wilde Jacht

In de middeleeuwen was het geloof dat de doden konden terugkeren, wijd verbreid. Ze werden manes mortuorum, geesten van overledenen, genoemd. Het rusteloze dolen van zielen in verdrukking stond ook wel bekend als de Wilde Jacht, die we ook als Hubertusjacht en Kiefkesjacht tegenkomen.

blog We zeggen tegenwoordig wel van een overledene dat deze ontslapen is. Het lijkt op het eerste gezicht vreemd om dat zo te zeggen, alsof de dode is ingeslapen. Toch heeft deze uitdrukking een verklaarbare geschiedenis. Want ooit werd dat inslapen letterlijk genomen. De dode zou uiteindelijk na een lange slaap in het hiernamaals ontwaken. Er werden bezweringen over de doden uitgesproken uit vrees dat die vroegtijdig zouden ontwaken om de levenden kwaad te berokkenen. Deze bezweringen werden dadsidas genoemd. In dit woord kunnen we het Oudgermaanse sesiz herkennen dat zowel slaap als dood betekent.

Waarschijnlijk op een oude mondelinge traditie gebaseerd schreef Ordericus Vitalis, een monnik uit de abdij van Sint-Evroul in de twaalfde eeuw, over dwalende doden:

Er verscheen een grote menigte voetvolk die op hun schouders dieren en kleden en spullen droegen die rovers op hun plundertochten plegen mee te nemen. Maar allen weeklaagden en hitsten elkaar op tot meer spoed. De priester herkende onder hen vele buren die onlangs waren overleden. Hij hoorde ze jammeren over de folteringen die ze doorstaan hadden vanwege hun misdaden.

Volgens de monnik werden de dolende zielen vergezeld door bijzondere wezens, dwergen met hoofden als tonnen, donkerhuidige reuzen en allerlei demonen. Echt een tafereel zoals Jheronimus Bosch dat eeuwen later zou schilderen.
Een leger van rusteloos dolende zielen komen we ook tegen in het werk van Herbert van Clairvaux. Hij verhaalde van een heleboel ruiters en mensen te voet, mannen en vrouwen, jongeren en ouderen die in spoed voorbij snelden. Het zou om de schimmen van de doden gaan die voor hun fouten moesten ronddolen. Sommigen zouden verlost worden, anderen bleven eeuwig dolen.

Hoewel het begrip 'ontslapen' in het bijzonder in christelijke kringen wordt gebruikt in uitdrukkingen als 'ontslapen in de Heer', is het een misverstand dat deze formulering op de Bijbel terug te voeren zou zijn.


10 september 2017
Een strijdlustige vrouw uit Birka

blog Het gezaghebbende American Journal of Physical Anthropology 'onthulde' vrijdag dat de resten van een dode uit een rijk wapengraf in de vroegmiddeleeuwse Zweedse handelsplaats Birka van een vrouw waren. Dat deed botonderzoek al enkele jaren geleden vermoeden en heeft DNA-onderzoek nu definitief uitgewezen. De vrouw in het graf dat al aan het einde van de negentiende eeuw werd ontdekt, was samen met een volledige wapenrusting, inclusief twee paarden begraven. De speelstenen van een bordspel die op haar schoot werden aangetroffen, worden verklaard als een soort Stratego waarmee ze haar militaire expedities kon voorbereiden. Daarom wordt de dode door de onderzoekers voorgesteld als een krachtige militaire aanvoerster met ervaring op het slagveld. Ze zou haar vooraanstaande positie door haar voorname afkomst hebben bereikt.

De uitkomst van het onderzoek is gepresenteerd als een primeur, hoewel de onderzoekers zich ervan bewust waren dat er al eerder vrouwengraven met wapens zijn gevonden. Bovendien weten we uit schriftelijke bronnen dat er strijdbare vrouwen waren. De middeleeuwse geschiedschrijver Saxo 'de Geleerde' berichtte over Hetha en Visna die in de slag van Bravellir 'met mannelijke moed' streden. Ze hadden het commando over de Deense strijdkrachten van koning Harald Blauwtand. Legendarisch is de naam van Inghen Ruaidh, de Rode Maagd die met een Vikingbende meetrok om de bewoners van het Ierse Erinn groot onheil te brengen.

In mei blogde ik over het vrouwengraf op het Noorse Osebergschip, waarbij ik vermeldde dat hooggeplaatste magiërs vaak vrouwen waren, zieneressen die soms met wapens begraven werden, misschien om hun macht als krijger-magiër te benadrukken. Het is dus niet uit te sluiten dat de vrouw uit Birka, waarvan het DNA is onderzocht, zo'n krijgshaftige zieneres was.


5 september 2017
De legende van Swanhilde

blog Meestal heb ik mijn bedenkingen als er weer eens een avonturenroman verschijnt die in de Vikingtijd speelt. Dat geldt ook voor de avonturen van de jonge helden Ragnvald, Svanhilde en Solvi in de net uitgekomen roman De legende van Swanhilde.
Het verhaal begint met het legendarische riemspringen - het buitenboord springen van rooiriem naar roeiriem - dat als een soort Vikingontgroening ontaardt in een pijnlijke beproeving die bijna tot de verdrinkingsdood van de vermetele springer leidt. Even was ik bang dat het verhaal op deze manier verder zou gaan, maar dat valt mee. Daarna wordt het al snel veel huiselijker, hoewel het er af en toe behoorlijk bloederig aan toe kan gaan.

Het boek - de eerlijkheid gebiedt me wel te melden dat ik het Engelstalige manuscript The Half-Drowned King heb gelezen nog voordat het boek gepubliceerd was - leest als een IJslandse saga en roept ook bij flarden de eigenaardige sfeer op die zo typerend is voor dit genre. Dat is niet zo vreemd, want het verhaal is losjes gebaseerd op de legendarische avonturen die we kennen van deze saga's en andere vertellingen uit het hoge noorden. Veel gegevens zijn ontleend aan een saga uit de Noorse koningskroniek Heimskringla, namelijk die van Haraldr Hárfagri, de koning die in de negende eeuw het grootste deel van Noorwegen onder zijn heerschappij bracht.
Daarin is dit boek niet uniek. Ook de tegenwoordig zo populaire televisieserie Vikings berust op zo'n weinig historische mix van mythische gebeurtenissen. Daarmee houdt de vergelijking wel zo ongeveer op, want uit alles blijkt dat de auteur, de Amerikaanse debutante Linnea Hartsuyker, zich bijzonder goed gedocumenteerd heeft. Het boek staat bol van allerlei details uit het dagelijks leven, huiselijke werkzaamheden, zoals spinnen en weven, maar ook de sociale verhoudingen zijn realistisch beschreven. Vermoedelijk heeft zij evenementen bezocht waar re-enactors aan het werk waren. Daardoor krijgt de lezer fictie binnen een historisch verantwoord raamwerk voorgeschoteld. Vooral de dialogen komen heel natuurlijk over.

Een hoogtepunt is voor mij de reis van Solvi en Svanhild naar Dorestad om de Deense krijgsheer Rorik te ontmoeten. Toch is het ondenkbaar dat de christelijk gedoopte vazal Rorik er meerdere vrouwen op na hield. Ook is het niet waarschijnlijk dat hij als trouwe vertegenwoordiger van de Frankische koningen gemene zaak met plunderende Vikingen zou hebben gemaakt. Het is slechts een klein puntje van kritiek op een aantrekkelijke combinatie van avontuur en sfeertekeningen. Over het verhaal zeg ik verder niets om niets te verraden voor degenen die het boek willen lezen. Doen!


28 augustus 2017
Dorestad onthuld

blog Sinds 2010 onderhoud ik de webstek dorestadonthuld.nl met allerlei achtergrondinformatie over - hoe kan het ook anders - de vroegmiddeleeuwse handelsplaats Dorestad.
In de loop van de jaren heb ik veel teksten toegevoegd, waardoor het geheel er bepaald niet overzichtelijker op werd. Daarom zijn in de nieuwe opzet alle pagina's grondig overhoop gehaald en voorzien van een volledig nieuwe indeling en opmaak.
Met die indeling loop ik een beetje vooruit op het boek over Dorestad waaraan ik nu de laatste hand leg en dat een verdeling in soortgelijke hoofdstukken krijgt. Over dat boek later meer, maar nu is er alvast de vernieuwde webstek, waarvan ik hoop dat die in de smaak valt.


14 juli 2017
Thor en zijn buitenlandse collega's

De Germaanse dondergod Thor die ook wel Donar genoemd wordt, of Thunor in Angelsaksische streken, had in het oorspronkelijk Keltische cultuurgebied en ook bij de Saami in het hoge noorden collega dondergoden waarmee hij veel overeenkomsten vertoont.

De Kelten vereerden de dondergod Taranis die we in het Iers als Tuireann tegenkomen. Het woord donder komen we in hedendaags Cornish, Welsh en Bretons nog tegen als taran. Taranis wordt vaak met een wiel geassocieerd, net als de cycloop Brontes (donder) uit de Griekse mythologie. Het wiel, meestal zes- of achtspakig, was een Keltisch zinnebeeld dat vermoedelijk symbool stond voor de zon. We komen dit wiel bijvoorbeeld op de Gundestrupketel uit Denemarken tegen en ook op verschillende munten. De Kelten offerden symbolische wielen, gaven ze als grafgift mee aan de doden of droegen miniatuurwielen als amulet. Volgens de Romeinse dichter Marcus Annaeus Lucanus zouden er mensenoffers aan deze godheid zijn gebracht.
Onder invloed van de Romeinen had Taranis kenmerken van Jupiter overgenomen. In Gallië zijn veel beeldjes gevonden van deze bebaarde god die een donderstraal en - net als de Griekse cycloop - een wiel vasthoudt.
blog Thor is ook nauw verwant met de dondergod Horagalles van de Saami die meestal als een houten beeld met een spijker in zijn hoofd wordt voorgesteld. Net als Thor wordt hij ook wel afgebeeld met een (smeed)hamer die Wetschera genoemd wordt. Horagalles is de god van de donder, het uitspansel, het weer en de regenboog, maar ook van alle wateren die er op de aarde te vinden zijn. En ook weer net als Thor waakt hij over het welzijn van de mensheid en strijdt hij tegen kwade geesten die in de bergen te vinden zijn. Hij gaat ze met donder en bliksem en zijn (regen)boog Aijeke dauge te lijf, of slaat ze dood met zijn hamer Wetschera. Horagalles wordt ook wel eens Thoragalles of eenvoudigweg Thoron genoemd dat vermoedelijk afkomstig is van Thor Karl, de oude man Thor.

Hoewel er verschillen zijn tussen de dondergod van de Germanen, de Kelten en de Saami, is het toch heel waarschijnlijk dat we met Thor, Taranis en Horagalles met dezelfde god in verschillende culturele gedaantes te maken hebben.


25 juni 2017
Warlords en krijgsheren

Een warlord is een militair aanvoerder die met een gewapende macht heerst over een gebied dat binnen een soevereine staat ligt. In veel gevallen opereren warlords onafhankelijk van het centrale gezag. Soms werken ze samen met dat regime, maar vaak varen deze agressieve lieden een eigen gezagsondermijnende koers. Halverwege de negentiende eeuw werd het woord warlord gebruikt voor een oorlogszuchtige heerser in algemene zin. In de vroege twintigste eeuw spitste het begrip zich door berichtgeving over gewelddadigheden in de toen net gestichte Chinese republiek toe op de definitie die ik hiervoor gaf. In die betekenis heb ik het begrip warlord in mijn boeken gebruikt.

blog Maar wat is dan een krijgsheer? Nou, gewoon de letterlijke vertaling van het Engelse warlord, niet meer en niet minder. Ik heb het Nederlandse woord krijgsheer weinig in mijn boeken gebruikt, omdat warlord voor mijn gevoel beter klonk. Maar ik zie nu in dat ik me heb bezondigd aan onnodig Engels taalgebruik. In toekomstige publicaties zal ik het dan ook alleen nog maar over krijgsheren hebben. Goodbye warlords.

Over onnodige Engelse woorden gesproken. Het boek Op-en-top Nederlands, een woordenlijst met overbodige Engelse woorden in onze taal, is uitgebracht door de Nederlandse uitgever Brave New Books die het boek specificeert als een paperback. Oh, wacht even, het is geen uitgever maar een self-publishingplatform dat met Printing On Demand werkt en waar schrijvers een eigen dashboard hebben. Grappig.


24 mei 2017
De toverstaf van koningin Asa

Het Osebergschip in Noorwegen is het rijkste graf dat ooit in Scandinavië gevonden is. Het schip zelf is overdadig met houtsnijwerk gedecoreerd en aan boord werd een verbijsterende hoeveelheid goederen gevonden die ook rijkelijk versierd waren. Er is veel gespeculeerd over de twee vrouwen die op het schip waren bijgezet. Door alle pracht en praal waren onderzoekers ervan overtuigd dat in ieder geval één van hen zeer vooraanstaand moet zijn geweest, vermoedelijk was ze zelfs een koningin. Het zou om koningin Asa, de moeder van koning Halfdan de Zwarte, gaan die samen met een slavin op het grafschip was bijgezet.

blog Toch zijn er aanwijzingen dat we met heel iemand anders te maken hebben. Om te beginnen maakt het graf als geheel niet zozeer een koninklijke, maar eerder een magische indruk. Zo is op geborduurd textiel een religieuze voorstelling weergegeven en werd er een houten toverstaf gevonden, zoals we die ook kennen uit andere vrouwengraven, waarin amuletten en andere magische hangers met een opgerolde slang, een walkure, een masker, een schild, een vuurslag of een miniatuurstaf die in verband met rituelen gedragen werden. In dergelijke graven zijn ook zalfdoosjes en potjes met substanties gevonden die mogelijk tot de toolkit van zieneressen behoorden om hun uiterlijk te veranderen voordat ze hun rituelen uitvoerden.

Zowel mannen als vrouwen konden magische handelingen verrichten. Toch werd het bedrijven van magie vaak als onmannelijk beschouwd en vooral met het vrouwelijke geassocieerd. Vandaar dat het beoefenen van de seidr als verwijfd werd gezien en wel in een sfeer van (passieve) homoseksualiteit werd getrokken. Deze magiërs werden soms seidhherendr genoemd, androgyne wezens die geen man en geen vrouw waren. Op sommige beeldstenen uit Gotland vinden we mannen die zich als vrouwen hebben verkleed. Graven met wapens werden altijd automatisch aan mannen toegeschreven, totdat DNA-onderzoek uitwees dat de doden soms ook vrouwen waren, vooral in een magische context. Mogelijk moesten die wapens hun macht als vrouwelijke krijger-magiër benadrukken.

Op één van de Deense Gallehus-hoorns lijkt een bebaarde vrouw afgebeeld. De oudste van de twee vrouwen op het Osebergschip had de ongekende leeftijd van zo'n tachtig jaar bereikt. Door een hormonenstoornis moet zij een diepe stem en overmatige gezichtsbeharing gehad hebben. Daarmee zou deze uitzonderlijke vrouw in haar al even uitzonderlijke graf heel goed een zieneres geweest kunnen zijn die zelfs hoger geacht werd dan een koningin. Een boeiende gedachte.


28 april 2017
Een Vlaams piratennest?

In de Karolingische periode lag er voor de Vlaamse kust in het mondingsgebied van de IJzer een eiland dat Testerep heette. Een strook schorren achter een duinenrij werd aan de landzijde begrensd door een parallel aan de kust lopende getijdengeul, de Testerepgeul.

Testerep doet erg aan Walcheren denken. Beide eilanden lagen aan een beschutte kreek bij een riviermonding en hadden een gunstige ligging ten opzichte van een oversteek naar Engeland.
blog Walcheren was vanaf 837 een steunpunt van Deense piraten die we in de bronnen als Noormannen tegenkomen, maar tegenwoordig meestal Vikingen genoemd worden. Het werd door kreken en moerassen van het vasteland geïsoleerd, waardoor de Frankische legermacht die niet over een vloot beschikte, er niets kon uitrichten. De koning kon weinig anders doen dan het met de Denen op een akkoord gooien. In 841 werd Walcheren aan de Noormannenaanvoerder Harald junior overgedragen - met het gewenste resultaat. Terwijl de wijde omgeving werd geplunderd, bleef Frisia, inclusief de Scheldemonding van aanvallen gevrijwaard.
Walcheren was als springplank naar Engeland in trek en moet daartoe door krijgsheren als Ubbi de Fries en zijn Scaldingi benut zijn. Later zou ook de beruchte Rodulf, mogelijk een zoon van Harald junior, het eiland als uitvalsbasis gebruiken.

De opvallende overeenkomst tussen Walcheren en Testerep doet vermoeden dat ook het Vlaamse eiland een rol bij de Noormannen heeft gespeeld. Niet alleen de ligging en de slechte bereikbaarheid over land komen overeen, ook Brugge en Torhout, twee plaatsen die met de Noormannen in verband kunnen worden gebracht, liggen er niet ver vandaan.
De havenplaats Brugge had een sterk Scandinavisch karakter. De naam is van overzeese oorsprong, mogelijk van het Oudnoordse bryggja, dat aanlegplaats betekent. Brugge kon als handelsplaats opkomen in een periode dat andere plaatsen het juist zwaar van Noormannenaanvallen te verduren hadden. Ironisch genoeg brachten de monniken na de plundering van de Sint-Baafsabdij in Gent in 851 hun kostbaarheden in veiligheid naar het Deense bolwerk Brugge.
In Torhout was een klooster dat als missiecentrum gebruikt werd, vermoedelijk om heidense kooplieden in het nabije Brugge te bekeren. Er werden jongens opgeleid die uit gevangenschap van de Noormannen waren vrijgekocht, waarschijnlijk op de slavenmarkt in Brugge. Rond de tijd dat Harald junior Walcheren in leen kreeg, droeg de Frankische koning het klooster in Torhout over aan Haralds wapenbroeder Ragnar.

Er zijn dus allerlei aanwijzingen dat Testerep, net als Walcheren, mogelijk een piratennest was, een pleisterplaats voor Noormannen. Aan het begin van de twintigste eeuw liet koning Leopold II in Oostende – de grootste plaats op het voormalige eiland – een stallencomplex in Scandinavische nep-staafkerkstijl bouwen. Toeval of historisch inzicht? Wie zal het zeggen.


9 april 2017
Het begin van de middeleeuwen

Wanneer begonnen de middeleeuwen nu precies in onze contreien? Of anders gezegd: wanneer eindigde de Romeinse periode in het westen? Heel eenvoudig, dat was in het jaar 500. Nou ja, ongeveer dan. Zo heb ik het tenminste op school geleerd. Om precies te zijn was het in 476, want toen werd de laatste keizer in Rome afgezet. Of was het al in 455, toen Rome geplunderd werd door de Vandalen die er de macht overnamen? Maar wacht even, al in 410 waren de Visigoten hen voorgegaan. Of was het einde van de Romeinen toch nog eerder?

blog Delen van een zwaard en zwaard-schede uit het graf van Childerik.

 

Misschien begonnen de middeleeuwen bij ons met de opkomst van de Franken. Zij waren niet de enige Germaanse invallers, maar hun rijk werd tegen het einde van de vijfde eeuw onder Childerik en zijn zoon Chlodovech een machtsblok van betekenis dat zo ongeveer heel Gallië besloeg. Voor hen waren er echter al Frankische krijgsheren van naam, zoals Chlodio in de eerste helft van de vijfde eeuw of Arbogast die al in de vierde eeuw in Gallië de dienst uitmaakte en er zijn eigen volksgenoten versloeg. Nog eerder, al in 260, werd door een dwarse keizer het Gallische Rijk gesticht in een eeuw waarin Germaanse volken Gallië binnenvielen. Wanneer begon zich eigenlijk een onafhankelijk Gallië te ontwikkelen dat zou leiden tot het Frankische Rijk?

Ik hoop dat ik met al deze vaagheden duidelijk heb gemaakt dat er helemaal geen scherpe overgang tussen de Romeinse periode en de middeleeuwen bestaat. Er is eerder sprake van een continuïteit tussen de late derde en de vroege zevende eeuw, een tijdvak waarin Germaanse, vooral Frankische, krijgsheren die zich vanaf de vijfde eeuw koningen noemden, in Gallië de lakens uitdeelden. Dat deden ze al of niet onder formeel oppergezag van Rome dat nauwelijks nog enig autoriteit liet gelden.
Met het Edict van Chlotharius nam de leidende aristocratie in 614 de feitelijke macht over door de Frankische koning Chlotharius II te dwingen een groot deel van zijn bevoegdheden over te dragen. Daarmee kwam er een einde aan het tijdperk van de Frankische krijgsheren in Gallië.
Een tijdspanne van meer dan drie eeuwen kunnen we moeilijk als een overgangsperiode betitelen. Het zou beter zijn de periode tussen de late derde en vroege zevende eeuw opnieuw als een afzonderlijk tijdvak te definiëren. In feite is dat ook gebeurd, want we kennen deze periode als die van de grote volksverhuizing, een wat ouderwetse benaming, alsof het om de verplaatsing van complete volken gaat. Migratieperiode dan? Dat klinkt al neutraler. Of het tijdperk van de Frankische krijgsheren? Misschien is er een betere benaming te bedenken. Wie heeft er suggesties?


8 maart 2017
Hilda van Whitby

Het is vandaag Internationale Vrouwendag en dat is een mooie gelegenheid om een vroegmiddeleeuwse vrouw in het zonnetje te zetten. Daarvoor kies ik Hilda van Whitby die de naam had, en nog altijd heeft, het onderwijs voor vrouwen te stimuleren. We kunnen haar als een symbool voor de scholing van vrouwen beschouwen. Dat is bijzonder voor een vrouw die in de zevende eeuw leefde, in een tijd waarin mannen het onderwijs organiseerden en vrouwen niet of nauwelijks geschoold werden. Terecht is zij de patrones van veel onderwijsinstellingen geworden.

Hilda van voorname afkomst. Zij werd rond 614 geboren als een dochter van Hereric, een neef van koning Edwin van Northumbrië, en diens echtgenote Breguswith. Hilda koos voor een monastieke carrière. Zij stichtte een bescheiden klooster op het landgoed Werhale ten noorden van de Wear dat de bisschop haar in 648 schonk. Na een jaar benoemde de bisschop haar tot abdis van de abdij van Hartlepool. Van daaruit stichtte Hilda in 657 aan de monding van de Esk het klooster van Streoneshalh dat na de komst van de Noormannen in de negende eeuw Whitby genoemd werd. Hilda introduceerde in haar stichtingen in Hartlepool en Whitby de Iers-Keltische monastieke traditie.

blog


Langs de kust bij Whitby komen fossiele schelpen voor die ammonieten genoemd worden. Omdat ze op opgerolde slangen lijken, vormden deze versteende schelpen de aanleiding van een legende over een slangenplaag die door de heilige Hilda werd bestreden door de slangen in stenen te veranderen. De ammoniet Hildoceras is naar de heilige genoemd. Nog altijd sieren drie ammonieten het wapen van Whitby. De legende is lang na de dagen van Hilda ontstaan, maar geeft wel aan dat zij nog lang als een strijdvaardige vrouw werd beschouwd.


Die traditie handhaafde ze doortastend, zeer tegen de zin van het Roomsgezinde deel van de geestelijkheid. Toch wist ze zich succesvol te weren tegen machtige bisschoppen en andere geestelijken. Door onderwijs en cultuur te stimuleren speelde zij ook buiten de kerkpolitieke arena een belangrijke rol.
Door haar geroemde leiderschap groeide haar autoriteit zodanig dat verschillende heersers haar om raad vroegen. Ze beleefde haar finest hour toen de koning in 664 besloot de allereerste kerkvergadering in Northumbrië in haar abdij in Whitby te houden.


20 februari 2017
Een IJslandse saga in de Donald Duck

Er zijn maar weinig Nederlandstalige uitgaven van IJslandse saga’s. Als zo’n uitgave ook nog eens rijk geïllustreerd is, mag dat helemaal bijzonder genoemd worden. Toch heeft er ooit zo’n verhaal in het weekblad Donald Duck gestaan, geïllustreerd door niemand minder dan Hans Kresse, de geestelijke vader van Eric de Noorman.

blog


Olaf wordt belaagd door woeste Ieren die naar het schip proberen te waden. (tekening van Hans Kresse)

Het door Peter van Hasselt geschreven verhaal Olaf de held van IJsland is in 1959 als feuilleton verschenen. Dit verhaal is gebaseerd op het eerste deel van de IJslandse Laxdæla saga, de saga van het dal van de Zalmrivier. Kern van deze vertellingl vormt de vijandschap tussen twee neven die samen opgroeiden en dikke vrienden waren, totdat ze allebei verliefd werden op de mooie Gudrun. Dat was het begin van een rivaliteit die uiteindelijk zou resulteren in doodslag en de daaruit voortvloeiende familievete.

Toch is voor ons de kern van de Laxdæla saga niet het meest interessante deel. Dat is vreemd genoeg het fascinerende inleidende deel dat zich laat lezen als een familiekroniek met tal van verrassende gebeurtenissen.
En juist dit deel is door Peter van Hasselt gebruikt. We lezen het relaas van Olaf de Pauw die een reis naar zijn roots in Ierland ondernam nadat hij ontdekt had dat zijn moeder de dochter van de Ierse koning was. Olafs avonturen op zee en ook de ongelukkige landing op de vijandige Ierse kust zijn gedetailleerd beschreven. Het liep allemaal goed af en de Ierse koning erkende Olaf als zijn kleinzoon.
Na een avontuurlijk seizoen in Ierland keerde Olaf terug naar IJsland waar hij zich definitief in het Laxdal vestigde en met Thorgerd huwde. Zij kregen een zoon Kjartan die genoemd was naar zijn Ierse overgrootvader Muirchertach, een naam die verbasterd was tot Myrkjartan. Eind goed, al goed.

Het is lastig om de oude afleveringen van Donald Duck met deze feuilleton te vinden, maar gelukkig is het verhaal in zijn geheel, inclusief de schitterende illustraties, opnieuw uitgegeven in een mooi vormgegeven boek in full colour en met harde kaft dat hier kan worden besteld. Echt een aanrader!


31 januari 2017: gastblog Thomas Kamphuis
Up Helly Aa – een wintertraditie op de Shetlandeilanden

Vandaag wordt op de Shetlandeilanden het jaarlijkse Up Helly Aa-feest gehouden. Het meest iconische beeld is wel het hoogtepunt van de ceremonie, waarbij een Vikingschip in vuur en vlam wordt gezet. De schepen achter je verbranden krijgt zo een wel heel letterlijke betekenis, maar misschien is er hier, in overdrachtelijke zin, óók iets van waar...

blog

De oorsprong van Up Helly Aa is niet eenduidig. Hoe het feest gevierd wordt, is door de eeuwen heen totaal veranderd. Het einde van de joelperiode, dat in het Nederlands Driekoningen heet, werd in het Engels in de vijftiende eeuw Uphaliday genoemd, en in 1774 werd het in Schotland ook onder die naam gevierd.
In de negentiende eeuw was het een traditie dat de jongemannen in de Shetlands vaten met brandende teer door de straten droegen, hetgeen gepaard ging met luid lawaai van hoorns en trommels. Ook werd hierbij in de lucht geschoten en meer dan eens gevochten. In het voortrollen van vuur kan men het verdrijven van het donker in de joelperiode zien, het lawaai met hoorns en trommels als universeel vruchtbaarheidsteken voor zowel de mens als de oogst. Maar of de praktizerenden met wellicht enig posttraumatisch oorlogssyndroom dáár vroeger aan dachten?
De oorsprong van de joeltijd en nieuwjaarsfestiviteiten in de plaats Lerwick lijkt een gevolg van de nasleep van de Napoleontische oorlogen, toen soldaten en zeelui weer huiswaarts keerden met hun ruige gewoonten en hang naar vuurwapens en geknal. Zoals wel vaker vond de overheid dit heidense gebruik maar niets en kwam er een 'omgedoopte' versie, waarbij een speciaal comité in 1882 een eerste hoofd van de zogeheten guizers benoemde, als traditie verwant aan de Zuid-Engelse mummers. De zogeheten 'mummerplays' zijn volksfeesten waarbij amateurtoneelspelers allerlei opvoeringen geven. Bijvoorbeeld de verbeelding van Saint-George die de draak verslaat.
De hoofdguizer is gedurende het feest de jarl van Shetland. Hij is herkenbaar aan zijn Vikingkostuum met helm en schild en loopt voorop in de processie met in zijn gevolg de guizer squad. Op dat Vikingkostuum is overigens nog wel het één en ander af te dingen, omdat er ook nogal wat 19e-eeuwse romantiek, quasi Obelix-elementen in zitten zoals de vleugels langs de flanken van de helm.

De traditie van het verbranden van het schip – het ten grave dragen van de donkere winterperiode, het verwelkomen van het licht – gebeurt sinds het einde van de jaren 80 van de negentiende eeuw. Ofwel: hoe het verbieden van veronderstelde ongeregeldheden tot een nóg groter heidens gebruik kon leiden. Een al dan niet gefragmenteerde oorsprong van het feest als achtergrond.


9 januari 2017
Gastblog Arne Hempenius: Van gewei tot kam

blog Wie denkt dat de mensen in de vroege middeleeuwen woeste mannen en vrouwen waren met lange, onverzorgde haren, moet ik teleurstellen. Vondsten van al dan niet door de tand des tijds beschadigde, prachtig bewerkte kammen van hertengewei, opgegraven in onder meer Dorestad, de terpen van Friesland, Haithabu en Birka, wijzen op het tegendeel. Men kwam - en dat is van alle tijden - graag goed voor de dag. Het zijn niet alleen de vondsten van kammen die ons dat vertellen, ook de talloze, kleurrijke glazen kralen, meesterlijk versierde zilveren sieraden, spelden, ringen en fibula’s, suggereren een beeld van de wens om mooi te zijn.

blog Kortom, wie zijn of haar imago hoog wilde houden, wie in de smaak wilde vallen bij het andere geslacht, die kamde zijn haren. En wat te denken van vlooien en luizen die wellicht de kruinen van de haardragers teisterden? Naast kruidenmiddeltjes of as, was regelmatig kammen de beste remedie tegen de parasieten en de akelige jeuk. De gidsen in Birka vertellen dat een kam een persoonlijk eigendom was dat men altijd bij zich had, en vondsten van resten van beschermhoezen van gewei of been doen inderdaad vermoeden dat de kam niet ergens rondslingerde voor algemeen gebruik, maar meegenomen werd waar men ging.

blog Er moet in de vroege middeleeuwen een levendige handel zijn geweest in kammen en daarmee was het maken kammen waarschijnlijk een lucratieve vorm van ambacht. Een ambacht van een toiletartikel, waarvan de fabricage - en ik spreek uit eigen ervaring - zeer zeker respect afdwingt. Voor de cover van mijn vroegmiddeleeuwse thriller Het lot van Althilt die in april van 2017 van de pers komt, zocht ik een vroegmiddeleeuwse kam. Althans een foto. Maar al gauw bleek dat er geen geschikte, rechtenvrije afbeeldingen te vinden waren. Mij restte slechts – kaal als ik ben – me te storten op het maken van een replica. Kortom, gewapend met een toffelzaag, een schraapstaal en een paar raspen en vijlen, waaronder een topkamvijl voor gitaarbouw; en voorzien van een paar prachtige geweien van edelherten, toog ik aan het werk. Na noeste arbeid en een pittig aantal uren mag het resultaat van de derde kam er zijn, een aardige replica van een vroegmiddeleeuwse vleugelkam met ruim zestig tanden over ongeveer vijftien centimeter lengte.


21 december 2016
De heidense wortels van Kerstmis

In het Middellandse Zeegebied werd de zonnegod vereerd die bij de Romeinen bekend stond als Sol Invictus. In de vroege vierde eeuw, tijdens het bewind van keizer Constantijn werd het feest van deze godheid dat op 25 december gevierd werd als de ‘dag van de geboorte van de onoverwinnelijke zon’, vervangen door het feest van de geboorte van Christus.
Mogelijk speelde een Bijbelse passage waarin Jezus met het licht wordt geïdentificeerd hierbij een rol. Bovendien werd tijdens de winterzonnewende het feest van de Egyptische god Horus gevierd. Het beeld van Horus die door zijn moeder Isis gezoogd wordt, roept associaties op met de voorstelling van Maria en het kind Jezus.

blog In de periode rond de winterzonnewende vierden de Romeinen het Saturnaliafeest. Dit meerdaagse feest begon op 17 december met het brengen van offers in de tempel van Saturnus, thuis gevolgd door een feestmaaltijd waarbij familieleden en vrienden elkaar cadeaus gaven, meestal kaarsen en poppen van was of aardewerk.
Met het invoeren van het christendom als officiële staatsgodsdienst werden de Saturnalia voortgezet, compleet met vele brandende kaarsen die oorspronkelijk het lichtfeest rond de zonnewende symboliseerden. De geschenken werden vaak vergezeld van gedichten, een beetje zoals onze kerstkaarten tegenwoordig.
Ook in noordelijk Europa was de winterzonnewende vanouds een belangrijk moment. Er werden joelfeesten gehouden om de terugkerende zon te begroeten. Het woord joel is vermoedelijk afgeleid van het Indo-Europese ghel, dat (zonne)schijn betekent. Ons woord geel is er in te herkennen. Tijdens het joelfeest werden uitgebreide eet- en drankfestijnen gehouden.

De geboorte van de god van het licht werd vervangen door de geboorte van Christus. De Christusmis, die tot Kerstmis verbasterde, won aan belang toen Karel de Grote zich in 800 op eerste Kerstdag tot keizer liet kronen. Kerstmis werd een christelijk feest, maar bleef wel heidense trekken houden, zoals de copieuze maaltijden, de brandende kaarsen, de cadeaus, de kerstkaarten avant la lettre, de kerst(nacht)mis, zelfs de bebaarde Odin die in Scandinavische mythen Joelvader genoemd wordt, lijkt een inspiratiebron voor de hedendaagse kerstman. Alleen van de kerstboom heb ik geen vroegmiddeleeuwse voorloper kunnen vinden.

Ik wens alle trouwe lezers van mijn blogs prettige kerstdagen en een goede jaarwisseling!


4 december 2016
Bonifatius en het heidendom

Voor het Bonifatiusjaar ten einde is, voer ik hem nog één keer ten tonele, of eigenlijk het beeld dat in Dokkum staat. Velen weten te vertellen dat de missionaris daar in 754 door de heidense Friezen werd vermoord. Het werd ter nagedachtenis aan Bonifatius opgericht, maar is evengoed te beschouwen als een monument ter herinnering aan het verzet van de heidense bevolking tegen het oprukkende christendom.

blog

Bonifatius was met groot vertoon door ‘het afgelegen deel van Frisia getrokken waar heidense riten werden uitgevoerd’. Met een heel circus van monniken, priesters, diakenen, soldaten (!) en allerlei hulpkrachten kwam hij naar Frisia waar hij tot grote woede van de bevolking afgodsbeelden en heidense cultusplaatsen vernielde. Diezelfde bevolking werd vervolgens door het zwaard gedwongen hun heidense praktijken af te zweren om over te gaan naar de godsdienst van de gehate Frankische bezetter. Een Friese reactie op deze provocatie kon niet uitblijven. In de ochtend van de vijfde juni van dat jaar 754 werd het tentenkamp op de oever waar de schepen lagen afgemeerd, aangevallen. Niemand van het gezelschap, inclusief Bonifatius zelf, overleefde dit gewapende treffen.
De aanvallers werden inktzwart afgeschilderd, alsof ze ordinaire rovers waren die het gemunt hadden op de kostbaarheden van Bonifatius. Maar de gewapende begeleiders zouden een stelletje rovers wel hebben weggejaagd. We moeten dan ook eerder denken aan een logische reactie van Friezen die voor hun belangen opkwamen. Binnen de Germaanse rechtsopvatting gold moord als een zeer oneervolle daad, maar schenders van heidense cultusplaatsen moesten volgens een artikel ‘Van de eer der tempel’ in de Lex Frisionum, het Friese recht, met de dood bestraft worden. Toch heeft de Frankisch-christelijke propaganda haar uitwerking niet gemist. Nog altijd wordt de dood van Bonifatius als moord beschreven.

Wie het beeld in Dokkum goed in zich opneemt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het afwerende gebaar eerder tegen heidenen in het algemeen dan specifiek tegen de aanvallers van Bonifatius gericht is. We zouden het eveneens kunnen opvatten als een zinnebeeld van de kerk die zich tegen het heidendom keerde. Het is daarmee ook te beschouwen als een monument voor de strijd tegen de oprukkende onvrijheid van godsdienst.

Deze blog is een korte weergave van mijn essay ‘Bonifatius en het heidendom’ in de net verschenen bundel Vrijdenken & humanisme in Nederland. 40 Plekken van herinnering onder redactie van Bert Gasenbeek.


16 november 2016
Boeken, boeken, boeken

Deze week verscheen De eerste Gouden Eeuw, een licht gewijzigde herdruk van mijn boek uit 2011. Het is maar liefst het vierde boek van mijn hand dat dit jaar uitkwam. Vier! Eerder deze maand verscheen De Franken dat voor een belangrijk deel op Koningen en krijgsheren uit 2009 is gebaseerd. De andere twee uitgaven De Romeinen en Bonifatius in Dorestad zijn wel helemaal nieuw.

blog

Vanwaar zoveel boeken? Dat komt omdat het leven een aaneenschakeling van kleine writer’s blocks is, waar ik een truc op heb gevonden. En dat is gewoon aan meerdere boeken tegelijk werken. Als ik dan even geen inspiratie voor het ene onderwerp heb, dan kan ik altijd wel weer aan een ander thema verder. De afgelopen periode kon ik verschillende projecten afronden die al een tijdje liepen. Het gevolg is dat er dit jaar in korte tijd naast enkele artikelen de genoemde vier boeken konden verschijnen.

Waarom schrijf ik toch al die boeken? Doe ik dat voor mezelf? Welnee, dat is net zoiets als in jezelf praten. Trouwens, dan zouden die boeken niet uitgegeven hoeven worden, één exemplaar zou volstaan. Maar nee, mijn teksten worden door kundige drukkers en boekbinders vermenigvuldigd, omdat ze voor anderen, mijn Lezers, bedoeld zijn. Dat zijn vooral anonieme Lezers, afgezien van die enkeling die me aanklampt om me verheugd te vertellen meerdere boeken van mij in de kast hebben staan. Ik mompel dan iets vaags, waaruit zou moeten blijken dat ik verguld ben dat ik zelfs tot in de boekenkast van deze Lezer ben doorgedrongen.
Maar afgezien van de mededeling van zo’n informatieve enkeling blijf ik in het ongewisse waarom mijn Lezers de moeite nemen zich door mijn eindeloze woordenbrij te worstelen. Een eerste boek kan ik me nog wel voorstellen. Het zou een impulskoop kunnen zijn vanwege het misleidend mooie omslag, misschien een opwelling om toch nog eens iets over de duistere middeleeuwen te weten te komen of gewoon een weinig geslaagd presentje van een kennis. Maar de aanschaf van een tweede boek doet toch vermoeden dat de interesse van de Lezer gewekt is. En gek genoeg lopen er ook Lezers rond die zelfs nog meer boeken bezitten, tot aan echte verzamelaars toe die álles van mij willen hebben. Voor hen heb ik een geruststellende mededeling: voorlopig blijft het even rustig rond uitgaven van mijn hand.


30 oktober 2016
De complexe geschiedenis van Halloween

Halloween is een uit Amerika overgewaaide verkleedpartij met een commerciële achtergrond. Oorspronkelijk had dit griezelfeestje dat morgenavond gevierd wordt, een meer serieuze ondertoon. Halloween is een verbastering van het Engelse all hallows eve dat wij kennen als Allerheiligenavond. Halloween heeft een tamelijk complexe ontstaansgeschiedenis die ons langs Romeinen, Kelten en Franken voert. Dus, ga er even voor zitten.

blog


De Keltische god Cernunnos is mogelijk weergegeven op de Gundestrupketel die in een Deens moeras gevonden werd.

Allerheiligen valt op 1 november, ongeveer op de dag waarmee volgens de Keltische kalender de winter begon, nadat de oogst was binnengehaald en een deel van het vee voor de winter geslacht werd. Daarmee kan deze dag als een Keltisch ‘Nieuwjaar’ worden opgevat. In het Gaelic wordt dit ‘Nieuwjaar’ Samhain genoemd (letterlijk zomereinde).
De katholieke kerk heeft het heidense Samhain in de negende eeuw overgenomen als de christelijke feestdag Allerheiligen, later gevolgd door de gedenkdag Allerzielen op 2 november. Vermoedelijk is de kerkelijke invulling van het Keltische gebruik met Angelsaksische missionarissen naar het vasteland gekomen.

Samhain komt herhaaldelijk voor in de vroegmiddeleeuwse Ierse mythologische traditie, in de rijke orale overlevering die door monniken is vastgelegd. Daarin vinden we beschreven dat tijdens Samhain de poort tot de bovennatuurlijke wereld geopend was, waardoor geesten konden binnendringen om bezit te nemen van de levenden. Want in de overgang van de zomer naar de winter was de scheiding tussen het aardse bestaan en de bovennatuurlijke wereld minimaal. Daardoor konden onheil brengende geesten en dwalende zielen van overledenen die barrière eenvoudig passeren. Om de geesten gunstig te stemmen werd er buitenshuis voedsel geofferd. Voor een gestorven familielid werd aan tafel een plaats ingeruimd. Bovendien werden door vermommingen de geesten misleid.
Juist deze gedekte tafels en maskerades vinden we terug in Frankische bronnen, zoals in de preken van Caesarius van Arles die veel details over heidense gewoonten onthullen.

In Gallië werden in de eerste weken van januari feesten georganiseerd ter ere van de Romeinse god Janus, waarbij de feestgangers zich als herten of andere dieren vermomden. Al in de late Oudheid werden er in het Keltische cultuurgebied op nieuwjaarsdag hertenmaskers gedragen, mogelijk in verband met de geweidragende Keltische god Cernunnos. Volgens het leven van de heilige Hilarius zetten de inwoners van het Zuid-Gallische Mende tijdens de festiviteiten begin januari een hertenkop op hun hoofd. Op een bronzen plaquette uit de tweede eeuw die in de buurt van Lyon gevonden is en waarop een kalender gegrift is, vinden we het Gallische Samon(ios) dat verwant is aan Samhain.
Romeinse magistraten legden op 3 januari de eed af. Het was de dag van de inauguratie van de consuls, waarna er een plechtige optocht werd gehouden, waarbij godenbeelden werden meegedragen. Mogelijk heeft zich hieruit de gewoonte ontwikkeld om zich als goden te vermommen. De traditie van de Keltische hertenmaskers en de Romeinse feestelijkheden zijn in Gallië samengesmolten tot het gebruik van de Nieuwjaarsmaskerade.
Bonifatius wond zich tegen het midden van de achtste eeuw op over het volk dat begin januari dag en nacht zingen en juichend door de straten trok en feestmalen aanrichtte. De kerk probeerde dit heidense feest de kop in te drukken door de bevolking vanaf nieuwjaarsdag met kerkdiensten ‘bezig te houden’.

De Gallo-Romeinse Nieuwjaarsmaskerade is op de Britse Eilanden verschoven naar het begin van november waarop vanouds Samhain gevierd werd. En zo zijn we weer terug bij Halloween. Ik waarschuwde al dat het wat ingewikkeld is.


19 oktober 2016
I put a spell on you: heidense gebruiken en magische riten

Een student antropologie met de specialisatie heidense rituelen aan de universiteit van zijn planeet in het zonnestelsel van Alpha Centauri is naar de aarde gereisd om veldwerk te doen voor zijn scriptie. Hij heeft een open plek gevonden waar gelovigen een gewijde cultusplaats hebben ingericht waar zo’n twee dozijn priesters met een bijzondere, verheven status een rituele dans uitvoeren. Het volk staat erom heen, maar mag de heilige grond niet betreden op straffe van excommunicatie. Iedereen is uitgedost met felgekleurde rituele kleding en vreemde hoofddeksels. Sommigen hebben hun gezicht beschilderd. Alle omstanders voeren een merkwaardige, synchrone dans uit en slaken kreten die doen vermoeden dat het hele gebeuren erop gericht is om in een gezamenlijke trance te geraken.

blog

De student is helemaal verrukt van dit kleurrijke gebeuren, ook al is de onderliggende bedoeling van dit bizarre schouwspel hem onduidelijk. Ook ik kan dit ritueel met enige regelmaat waarnemen, althans de geluiden die daarbij gemaakt worden. Want ik woon op gehoorafstand van voetbalstadion Galgenwaard in Utrecht.
Zo ondoorgrondelijk als deze rituelen zijn voor de verre ruimtereiziger – en voor mij – zo zijn ook de heidense gebruiken uit de vroege middeleeuwen, waarover vaak niet meer dan enkele tekstfragmenten zijn overgeleverd. Die zijn door clerici vastgelegd alsof ze een afschuwelijke ziekte beschreven.
Het volk had vanouds spirituele opvattingen die door de kerk als verwerpelijk bestempeld werden. Net als christenen geloofden de meesten in een bovennatuurlijke wereld, maar die was veel meer met hun leefomgeving verbonden. Achter iedere boom of steen school bij wijze van spreken een geest. Beide werelden konden met magische rituelen met elkaar in verband worden gebracht. In het dagelijks leven speelde magie dan ook een grote rol. De bevolking probeerde zich met allerlei rituelen te behoeden voor ziekte en tegenspoed. Velen combineerden deze rituelen met hun dagelijkse bezigheden, maar bij speciale gelegenheden konden die ook uitgevoerd worden door magiërs, charismatische 'tovenaars' die bedreven waren in magische kunsten. Kortom, het hele leven was doortrokken met religie en magie.

Ik zou me maar al te graag in de vroegmiddeleeuwse mens willen verplaatsen. Maar net als de student van Alpha Centauri heb ik grote moeite om hen te doorgronden. Toch ga ik de komende tijd proberen of ik een glimp van hun denkwereld kan achterhalen, ook al is die, net als Alpha Centauri, lichtjaren van onze moderne wereld verwijderd. Sommige in het oog springende aspecten zullen in deze blog nog wel eens de revue passeren.


7 september 2016
Een first lady in de vroege middeleeuwen

Ik prijs mezelf een gelukkig man. Terwijl velen reikhalzend naar het nieuwe seizoen van de serie House of cards uitkijken, kan ik mij permanent onderdompelen in het gekonkel van de vroegmiddeleeuwse collega’s van de fictieve Amerikaanse president Frank Underwood en zijn al even op macht beluste echtgenote Claire. Want op dit moment leg ik de laatste hand aan het boek De Franken in België en Nederland. Heersers in de vroege middeleeuwen dat begin volgende maand gaat verschijnen.

blog

In dat boek probeer ik naast de geportretteerde Frankische koningen enkele van hun echtgenoten voor het voetlicht te brengen. Ook al werden vrouwen maar een bescheiden rol toegedicht, tussen de regels door kunnen we lezen dat zij wel degelijk van belang waren, al was het maar omdat zij dichter bij de regerende vorst stonden dan wie dan ook. Onder hen waren zeer ambitieuze vrouwen – van het type Claire Underwood – die grote invloed op het regeringsbeleid uitoefenden.
Een aansprekend voorbeeld daarvan is Judith, de tweede vrouw van de Frankische keizer Lodewijk de Vrome. Toen ze met de veertigjarige vorst huwde was ze zelf vermoedelijk nog een tiener, maar ze was alles behalve onnozel. Ze werd omschreven als ‘een tweede bijbelse Judith’, een vrouw die het tegen sterke mannen opnam, en dat was een heel rake typering.

Als first lady stond Judith haar echtgenoot terzijde bij officiële aangelegenheden. Doordat ze het hof bestierde, kon ze invloed op het regeringsbeleid uitoefenen, bijvoorbeeld door te bepalen wie toegang tot de keizer had.
Gezien hun leeftijdsverschil, was het te verwachten dat Judith haar echtgenoot zou overleven. Wilde ze ook na Lodewijks dood een machtspositie blijven bekleden, dan moest ze al vroeg stappen ondernemen. Maar door haar optreden maakte ze vijanden. Om haar positie uit te hollen werd ze op een seksistische wijze als vals en geslepen afgeschilderd. Ze zou Lodewijk ertoe hebben aangezet een verderfelijke koers te varen. Zij werd van overspel beschuldigd en in verband gebracht met losbandigheid en hekserij. Judith zou het paleis hebben gevuld met zieners, waarzeggers en droomvoorspellers. De lastercampagne had succes, ze werd gearresteerd en verbannen. Maar uiteindelijk werd Judith van alle aantijgingen gezuiverd. Sindsdien bleef ze grote invloed op het beleid van haar echtgenoot houden en wist te bewerkstelligen dat haar zoon Karel, de latere koning Karel de Kale, een aanzienlijke hap uit de taart zou krijgen toen het Frankische Rijk verdeeld werd.


1 augustus 2016
De paltskapel in Aken als paardenstal

Volgens de Annalen van Fulda plunderde een bende Noormannen in 881 de koninklijke palts in Aken. De kroniekschrijver voegde er verbolgen aan toe dat de onverlaten de kapel van de Frankische koning als paardenstal hadden gebruikt. De plunderaars behoorden tot een alliantie van Noormannen die twee jaar eerder uit Engeland was verdreven. Ze waren met hun schepen naar Vlaanderen gekomen, waar ze de wijde omgeving onveilig maakten.

blog

In de jaren die volgden werden de plunderaars brutaler en trokken steeds verder het binnenland in. Uiteindelijk troffen ze het hart van het Frankische Rijk, het Rijn-Maasgebied waar de koningen hun belangrijkste bezittingen hadden. Aken vormde daar het vorstelijke centrum van met de achthoekige paltskapel als symbolisch brandpunt. De Noormannen hadden met hun barbaarse ontheiliging van die kapel de Franken niet erger kunnen treffen.

Ik moest aan dit alles denken toen ik afgelopen week de kapel in Aken bezocht die Karel de Grote rond 800 naar Byzantijns voorbeeld had laten bouwen. Het ontwerp was vooral geïnspireerd door de San Vitale in Ravenna. Voor de bouw werd gekleurd marmer en mozaïekwerk uit Italië aangevoerd, zelfs Romeinse beelden en complete zuilen werden naar het noorden verscheept. Het interieur is dan ook indrukwekkend, zeker voor een bouwwerk dat zo noordelijk ligt. Geen wonder dat er eeuwenlang Duitse koningen gekroond werden op deze plaats waar het prestige van Karel de Grote op hen afstraalde.

blog

Het is op zich al een wonder dat de kapel er na twaalf eeuwen nog altijd staat, zeker na de verwoestingen die in de Tweede Wereldoorlog in de Akense binnenstad zijn aangericht. De oorspronkelijke paltskapel vormt tegenwoordig samen met het gotische koor de bisschoppelijke Dom van Aken en is het enige deel van het Karolingische paltscomplex dat bovengronds bewaard is gebleven. Daarmee is dit stukje Aken voor mij een beetje heilige grond.

Toen ik in de kapel rondliep heerste er beslist geen heilige sfeer, want de kerk werd overspoeld met fotograferende toeristen, compleet met baseballpetjes. Nog een geluk dat de vele Pokémon Go-spelers hun virtuele monstertjes buiten de deur vingen. Toegegeven, ik was ook één van de toeristen die de kapel (over)bevolkten. Toch kreeg ik bij het zien van de menigte onwillekeurig een beeld voor ogen van de ontzetting van de Frankische elite toen de kapel door de heidense horde Noormannen als paardenstal gebruikt werd.


21 juni 2016
Henk Hofland en de schoolplaat van Isings

Vanochtend overleed journalist en schrijver Henk Hofland. Jarenlang heb ik met plezier zijn uitstekend geschreven columns in NRC Handelsblad gelezen. Daarin schreef hij op 24 juli 2004 over een tocht die hij kort daarvoor naar Wijk bij Duurstede had gemaakt. De aanleiding was de schoolplaat ‘De Noormannen voor Dorestad’. Hij vroeg zich af wat er zou zijn gebeurd als Dorestad niet door de Noormannen was geplunderd. ‘Dan had Johan Herman Isings er geen schoolplaat van gemaakt en dan was ik niet, of misschien om een andere reden, naar Wijk bij Duurstede gegaan.’

blog Hofland reisde met de trein naar Culemborg om erachter te komen dat er vandaar geen openbaar vervoer naar Wijk vertrok. Uiteindelijk bereikte hij via Utrecht zijn bestemming met de bus die reed door ‘een beschaafd uitziende landstreek, met langs de weg veel plaatsen waar je kersen kunt eten’. Hij vond Wijk een lief, oud stadje met in het midden een plein met een oude kerk, een goede boekhandel en cafés met terrassen waar clubjes toeristen van boven de vijftig van de zon zaten te genieten. Maar nergens een spoor van Noormannen.

Dus op naar Museum Dorestad. Daar vond Hofland van alles. ‘Beenderen, gereedschap, versieringen, wapens, wat een mens in vroeger tijden nodig had, en in een andere vorm, nog nodig heeft. Een mooie haarspeld. Probeer je de vrouw voor te stellen die dat kleine ding heeft gebruikt, hoe ze het zorgvuldig in haar haar heeft gestoken, wie haar heeft bewonderd, hoe het verloren is gegaan.’
In het museum vond hij ook de schoolplaat van Isings. ‘Bebaarde mannen die ik me van toen herinnerde, maar in mijn geheugen waren ze in de loop der jaren woester geworden. Die van Isings zien er betrekkelijk rustig uit. De kunstenaar had dan ook een rustige opvatting van de geschiedenis. Hij schuwde het drama niet, maar je moest je niet laten afleiden door de daarmee eventueel gepaard gaande gruwelen.’ Hofland beëindigde zijn column met de observatie dat er van die ‘duivelse kerels’ en hun gewelddadige acties in Wijk niets meer te zien is.

‘Isings, waar bent u, dacht ik. De stenen kunnen wel spreken, maar ze hebben een vertaler nodig. Iemand die het kan vertellen, op zo'n manier dat je begrijpt waarover het gaat.’ Het zijn mooie woorden van een begenadigd schrijver en bovenal scherpe waarnemer.


29 mei 2016
Het geheim van de smid: ijzerproductie en rituelen

De vroege middeleeuwen staan niet bepaald bekend vanwege industriële bedrijvigheid. Toch was er al een bloeiende ijzerindustrie, want ijzer werd hogelijk gewaardeerd. De winning en verwerking was een specialisme dat veel vakkundigheid vereiste. Bovendien was het niet zomaar een technologie. Het proces was met rituelen omgeven, want in de vroege middeleeuwen bestond er een wereldbeeld waarin alles verweven was, een kosmologie waarin de stoffelijke wereld één geheel met de spirituele wereld vormde.

blog


Experimentele ijzeroven (HAPS-project Apeldoorn)

In Scandinavië zijn productieovens midden in grafvelden aangetroffen. Er zijn aanwijzingen dat er tijdens het proces verkoolde menselijke beenderen werden gebruikt, alsof de overledene als het ware in een ijzeren voorwerp werd gereïncarneerd. De smid kon zo de kracht van de dode in een wapen overbrengen.
Rond ijzerproductie heerste een taboesfeer die in rituele vorm heeft bijgedragen aan de geheimhouding van het proces. Het geheim van de smid, zeggen wij nog altijd. Volgens de Scandinavische mythologie worden zwaarden in het geheim gesmeed, vaak ondergronds door dwergen. Op sommige plaatsen in Afrika en Azië waar nu nog ijzer wordt geproduceerd, zoals dat bij ons in de vroege middeleeuwen gebeurde, is nog altijd iets van die magische sfeer te proeven. In traditionele samenlevingen in Afrika voert de smid allerlei rituelen uit. Met zang en bezweringen worden boze geesten afgeweerd, terwijl er offers in het vuur worden gegooid.

Soms wordt de ijzeroven met een barende vrouw vergeleken. Uit Zambia zijn ovens van het volk van de Chokwe bekend waaraan zelfs vrouwelijke vormen, zoals borsten, worden geboetseerd. De vergelijking van de ijzeroven met een vrouw vinden we ook bij het volk van de Fipa in Tanzania. Daar mag de smid tijdens het productieproces geen gemeenschap met een vrouw hebben. Dat wordt als overspel beschouwd, op straffe van een mislukte ijzerproductie.

Dit seksuele aspect is ook duidelijk aanwezig bij de ijzerproductie in Nepal, waar de oven eveneens als de symbolische vrouw van de smid wordt beschouwd, het inbrengen van de tuyere, de blaasmond, in de oven als de geslachtsdaad. Het zijn handelingen waar een taboe op rust en waarbij niemand anders dan alleen de smid aanwezig mag zijn. Daarbij moet hij volledig naakt zijn om de intimiteit tussen hem en 'zijn vrouw' te benadrukken. Niet toevallig is het Nepalese woord voor blaasmond bijna gelijk aan dat van het mannelijke geslachtsdeel.

Dichter bij huis vinden we in de Germaanse mythologie net zo'n metafoor waarin de ijzeroven met een barende vrouw vergeleken wordt:

In het oosten zat de oude vrouw, In het IJzerwoud
waar zij het gebroed van Fenrir baarde.
Één van hen wordt ooit
de verslinder van de maan
in de gedaante van een trol.
Hij vreet het vlees van stervenden
en kleurt het huis van de heersers in bloed.
Zwart wordt de zon
in de zomers daarna
zal het weer boosaardig zijn.
(uit: Voluspa, het lied van de Zieneres)

We kunnen in 'de oude vrouw' een metafoor zien van de ijzeroven die het gebroed van Fenrir, oftewel het ijzer, baarde waarvan wapens gesmeed werden. Fenrir was de wolf die de godenwereld bedreigde. In het bloederige vervolg van het vers zien we wat die wapens allemaal aan zouden richten.


14 mei 2016
Tussen noordelijke en zuidelijke koningen

Eind 2013 verscheen mijn boek De Friezen - De vroegste geschiedenis van het Nederlandse kustgebied met daarin het hoofdstuk 'Tussen noordelijke en zuidelijke koningen'. Dat handelt over de bijzondere positie van de Friezen die in de vroege middeleeuwen enerzijds deel uitmaakten van een Noordzeecultuur, waardoor ze nauwe culturele en economische banden met de Denen hadden. Anderzijds behoorden ze tot het Frankische Rijk. De Franken waren behalve overheersers, waar ze zich naar hadden te schikken, ook belangrijke handelspartners. Hoe stelde de bevolking zich tussen de partijen op toen de Denen en de Franken met elkaar in conflict raakten?
blog De agressie van Karel de Grote tegen de Denen plaatste de Friezen al meteen voor een dilemma. Hun positie werd nog ingewikkelder toen de spanningen binnen het Frankische Rijk opliepen en de strijdende partijen de hulp inriepen van Deense warlords. Die strijd speelde zich voornamelijk in ons land af, een strijd waarbij de Noormannen een belangrijke rol speelden.

'Tussen noordelijke en zuidelijke koningen' is de vrucht van een jarenlange samenwerking met Dirk Jan Henstra, kenner van de Friese geschiedenis bij uitstek. Tussen 2001 en 2006 werkten we gezamenlijk aan dit vraagstuk, waarbij we elkaar bijna wekelijks met brieven bestookten - Dirk hield niet zo van mailen. We bleven steeds uiterst kritisch naar elkaar en daardoor ontstond een doortimmerd resultaat waar we allebei trots op waren.
We hebben ons onderzoek destijds in de vorm van een wetenschappelijk artikel aan een historisch tijdschrift aangeboden, maar het werd geweigerd, voornamelijk met het bizarre argument dat we dezelfde bronnen hadden gebruikt als eerdere onderzoekers. Alsof er nog altijd onbekende vroegmiddeleeuwse bronnen worden ontdekt. Men meende dat we alleen maar een ander perspectief hadden gekozen dan voorheen. Tsja, waar draait historisch onderzoek nu eigenlijk om? De redactie van het betreffende tijdschrift had er blijkbaar niet veel van begrepen.

Afgelopen donderdag overleed Dirk Jan Henstra die al jaren met zijn gezondheid kwakkelde. Gelukkig heeft hij nog wel de publicatie en het enorme succes mogen meemaken van De Friezen, een boek dat door 'ons' hoofdstuk eigenlijk ook een beetje van hem is. Een betere plek dan in dit succesvolle boek had Dirk zich niet kunnen wensen.


7 april 2016
Joan Hugo van Bolhuis en de Noormannen

Het beeld van de Noormannen als bebaarde woestelingen, als Vikingen die met gehoornde helmen proletarisch in onze streken kwamen shoppen, is voornamelijk in de negentiende eeuw ontstaan. Niet gekweld door enige historische kennis husselden populaire schrijvers gegevens door elkaar en dikten die aan waar ze konden. Alles voor het beoogde effect. Veel historici lieten zich door de tijdgeest meeslepen en omschreven de Viking als een meedogenloze plunderaar, een flat character die er lustig op los sloeg.

Hoe verfrissend is het dan een boek uit de negentiende eeuw te lezen waarin het Noormannentijdperk opmerkelijk goed onderbouwd en redelijk genuanceerd is beschreven. Ik heb het over het boek getiteld: De Noormannen in Nederland dat in 1834 en 1835 in twee delen door de Utrechtse hoogleraar Joan Hugo van Bolhuis gepubliceerd werd.

blog


De plaats in Breda waar Van Bolhuis aan zijn eind kwam, heet tegenwoordig de Duellaan

Deze auteur is volledig in het vergeetboek geraakt. Geïntrigeerd door zijn werk probeerde ik meer over hem te weten te komen en daarbij deed ik twee merkwaardige ontdekkingen. Om te beginnen was Van Bolhuis op 38-jarige leeftijd op een bijzondere manier om het leven gekomen. Hij bezweek aan de gevolgen van een duel met pistolen en had daarmee de twijfelachtige eer hiervan het laatste dodelijke slachtoffer in ons land te zijn. Maar belangrijker voor deze blog is wat ik ontdekte over Noormannenrelaas. Die blijkt hij oorspronkelijk te hebben geschreven als inzending voor een prijsvraag die in 1831 was uitgeschreven door het deftige Provinciaal Utrechts Genootschap dat vroeg om: 'Eene geschiedenis van de invallen en togten der Noormannen en Deenen, in Noord-Nederland, gedurende de 9de, 10de en 11de Eeuwen.'

Van Bolhuis, die datzelfde jaar als lid tot het genootschap toetrad, had zijn werk volgens de reglementen ingediend: in een ander handschrift dan het zijne en ondertekend met een zinspreuk. Die spreuk moest dan met de naam van de auteur separaat in een verzegelde enveloppe worden bijgevoegd. Van Bolhuis heeft de prijs niet gewonnen. Ik heb in de archieven van het genootschap tevergeefs naar een winnende inzending gezocht en ik ben er ook niet achter gekomen wie de prijs dan wel heeft kunnen bemachtigen. Het is niet erg waarschijnlijk dat er een betere inzending was. Ik vermoed dat Van Bolhuis niet kon opschieten met de deftige hoge heren die de prijsvraag vermoedelijk stilletjes hebben afgeblazen. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het weinig flexibele en principiële karakter van Van Bolhuis - dat hem uiteindelijk fataal werd - hem van de prijs afgehouden.

Honderd jaar na de prijsvraag verwonderde de gezaghebbende historicus Izaak Hendrik Gosses zich erover dat Van Bolhuis de prijs niet had gewonnen. Hij stelde vast dat 'Voor langen tijd den weetlust der Nederlanders omtrent deze periode uit hun geschiedenis is gestild.' Ik kan niet anders dan de waardering die Gosses opbracht voor het werk van de man die als een romantische Viking ten onder is gegaan, ten volle met hem delen.


17 maart 2016
Oppergod maakt een rechtse come-back

Vandaag werd ik kort geïnterviewd voor het NPO Radio 1-programma De Nieuws BV. De aanleiding was een bericht dat de Noorse massamoordenaar Anders Breivik een aanhanger van de Germaanse God Odin is. Het wapen waarmee hij tientallen jongeren op het eiland Utoya de dood in joeg had hij Gungnir genoemd, naar de magische speer van Odin. Daarmee maakt deze oppergod volgens de programmamakers een rechtse come-back, ook al omdat hij in ultrarechtse kringen wordt omarmd.

blog

Hun wat populair gestelde vraag aan mij: "Wat is die Odin eigenlijk voor knakker?" Tja, wat kun je in een paar zinnen over Odin zeggen? Dat hij werd beschouwd als een god van het slagveld, van gesneuvelde warriors die hij verwelkomde in het walhalla. Dat hij zichzelf negen dagen in een boom ophing om achter het geheim van het magische runenschrift te komen. Dat er op gelijke wijze, door opknoping mensen aan Odin werden geofferd. Dat de Nationaalsocialisten de hele Germaanse mythologie en Odin in het bijzonder voor hun eigen propaganda hebben gekaapt, om hun eigen heldhaftige imago te onderstrepen. Net zoals ze dat overigens met de Vikingen hebben gedaan die werden gepresenteerd als raszuivere, blonde oer-Germanen, een voorstelling die niet alleen verwerpelijk, maar ook nog eens geheel onjuist is. En juist deze fascistische ideologie van Adolf Hitler en zijn trawanten is de link naar de verknipte geest van Anders Breivik.

De inktzwarte racistische propaganda van de nazi's zou de Germaanse mythologie nog decennialang in haar greep houden. Vikingen, runen, eikenloof, cultusplaatsen, noem maar op, van alles, zelfs de muziek van Richard Wagner stond lange tijd in een kwaad daglicht. Gelukkig is dat gevoel wat gesleten en kunnen we tegenwoordig met een meer neutrale blik naar de Germaanse mythologie kijken. Dat is mooi, want we hebben met een brok immaterieel cultureel erfgoed van Noordwest-Europa te maken dat het waard is om op een positieve manier aan te pakken. Daarom is het jammer dat Odin door Breivik in een kwaad daglicht wordt gesteld.


1 maart 2016
Bonifatius en Dorestad

Dit jaar is het precies dertien eeuwen geleden dat de Angelsaksische missionaris Bonifatius in Dorestad van boord stapte. Hij popelde om een bijdrage te kunnen leveren aan de verspreiding van het christelijke geloof op het vasteland van Europa. Bonifatius maakte toen een valse start, want het hele rivierengebied was net in handen van de heidense Friezen gevallen. Zonder iets bereikt te hebben, keerde hij terug naar Engeland, zijn vaderland.

blog

Maar drie jaar later had de Frankische hofmeier Karel Martel de Friezen verdreven en kon Bonifatius naar onze streken terugkeren. Samen met de eveneens uit Engeland afkomstige Willibrord maakte hij werk van de kerstening van de heidense bevolking. Dat gebeurde bepaald niet erg zachtzinnig. Onder gewapende begeleiding van Frankische militairen werden heidense heiligdommen te gronde gericht en afgodsbeelden vernield.
De geloofsverkondigers strooiden nog eens zout in de wonde van de heidense bevolking door precies op de plaats van die in hun ogen verwerpelijke heiligdommen christelijke godshuizen te stichten. Vooral Bonifatius heeft de naam dat hij nogal onbehouwen optrad, maar ook Willibrord ging beslist niet erg terughoudend te werk.
Willibrord was wel zo verstandig dat hij zich alleen op plaatsen waagde waar de Frankische heersers het effectief voor het zeggen hadden. Bonifatius was wat minder voorzichtig en dat heeft hem dan ook de kop gekost toen hij zich in het slechts nominaal door de Franken beheerste terpengebied waagde om er tegen heidense gebruiken op te treden. Volgens het Friese volksrecht, de Lex Frisionum, moest vernieling van heiligdommen met de dood bestraft worden. Bonifatius moest het dan ook ontgelden toen de woedende bevolking zijn onbezonnen actie kwam vergelden.

Zo eindigde het continentale avontuur dat de ambitieuze en immer energieke Bonifatius in 716 in Dorestad was begonnen. 1300 jaar, zo'n afgerond getal heeft iets magisch. Het brengt een gebeurtenis uit het verleden gevoelsmatig wat dichterbij, alsof je even door een wormgat van de ruimte-tijdkromme kruipt. Het is maar een gevoel, ik weet het.

De komst van Bonifatius naar Dorestad wordt dit jaar uitgebreid
herdacht in Wijk bij Duurstede, klik hier voor meer informatie.


Blogarchief


Begin van de pagina

  

Over mij

Ik ben Luit van der Tuuk, onafhankelijk onderzoeker en publicist.
Mijn interessegebied is de geschiedenis van Noordwest-Europa in de vroege middeleeuwen. Speerpunten zijn: handel en scheepvaart, Dorestad, Noormannen, Friezen, Franken.
Ik ben conservator in Museum Dorestad.
Daarnaast onderhoud ik de webstekken Dorestad onthuld en Gjallar over de Noormannen in onze contreien.

portret

info@vikinglanghuis.nl

Boeken

boek

boek

boek

boek

boek

boek

boek

boek

boek

boek

boek

boek

boek

© Copyright Luit van der Tuuk 2015-2018
Gehele of gedeeltelijke overname, verveelvoudiging op welke wijze ook, plaatsing op andere sites, en/of commercieel gebruik van deze site alleen na toestemming van de auteur.